Boekgegevens
Titel: Beknopte aardrijksbeschrijving
Auteur: Kuyper, J.
Uitgave: Gorinchem: J. Noorduyn en zoon, 1880
2e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 5817
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201148
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van de aarde
Trefwoord: Geografie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Beknopte aardrijksbeschrijving
Vorige scan Volgende scanScanned page
35
in dat seizoen nergens de felle hitte, die de zonnestralen op-
wekken. Ook de 3500 mijl lange zuidkust, geheel in het warm
gebied liggend , draagt veel bij tot die verhooging der zomer-
temperatuur.
In het noordelijkst gedeelte, in Siberië, heerseht de groot-
ste winterkoude op Aarde; gedurende vier maanden van
Mei af, in zuidelijker streken gedurende vijf of zes maanden ,
stijgt de warmte boven het vriespunt (boven 0°) zoodat de
sneeuw op de vlakte smelt; maar gedurende de overige zes of
acht maanden bedekken sneeuw en ijs het geheele noorden.
Trouwens ook in Midden-Azië, tot in Perzië, blijft de sneeuw van
October tot April liggen, en natuurlijk op de hoogere gebergten
nog veel langer, totdat men eindelijk de grens vau de eeuwige
sneeuw bereikt.
Daarentegen behooren de zuidelijke eilanden en schiereilanden
tot de heetste streken der Aarde, met name Arabië, het
land tussehen Euphraat en Tigris , het laagland van Indus en
Ganges, en de Indische Archipel; verscheidene landstreken op
de helling der hooge randgebergten in Perzië, Voor-Indië en op
een aantal eilanden verheugen zich in eene voortdurende
lente; wij noemen bijv. de Padangsche bovenlanden op Su-
matra. De zuidelijke kustlanden kennen slechts twee seizoe-
nen , een heel droog jaargetijde en een even langen regentijd,
waarin de meeste regen valt, dien men op Aarde waarneemt.
Plantenrijk. De uiterste noordelijke landstreek kan niets dan
moeras-mossen en kleine Alpenstruiken aanwijzen; hierendaar
door enkele boomgewassen afgewisseld, wier stammen langs
den grond kruipen; zuidelijker volgt een gordel van struiken
en laag houtgewas, — weer zuidelijker een breede woudgordel,
waarin ongerepte bosschen van naaldhout eene hoofdrol vervul-
len ; in uitgebreidheid wordt hij nergens geëvenaard. In 't O.
is Kamtsjatka's plantengroei (flora) het best bij dien van Middel-
Europa te vergelijken; in 'tZ.W. maakt het woud in de vlakten
rondom de groote meren eensklaps plaats voor reuzige strui-