Boekgegevens
Titel: Beknopte aardrijksbeschrijving
Auteur: Kuyper, J.
Uitgave: Gorinchem: J. Noorduyn en zoon, 1880
2e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 5817
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201148
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van de aarde
Trefwoord: Geografie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Beknopte aardrijksbeschrijving
Vorige scan Volgende scanScanned page
17
De rotsen en hare hellingen zijn nrf&estaïdor en onvruchtbaar,
hoogstens gelegenheid verschaffeife aan een schralen boom-
groei, karig grasgewas of enkele mossoorten; gebergten met zacht
gunstiger gelegenheid tot aan-
de dalen zijn gemeenlijk zeer
lakke bodem is óf bouwland.
glooiende hellingen bieden reeds
kweeking van nuttige planten, en
vruchtbaar en rijk begroeid. De
"óf weiland, óf woud, óf moeras, ^V^n; niet zelden eene dorre
woestenij zonder plant en struik, of wel eene sneeuw- en ijs
Met harde grassoorten of andere lage plantjes gelijkvormig be-
dekte , uitgestrekte vlakten noemt men in westelijk Europa
heiden, in oostelijk Europa en Azië steppen, in Noord-
Amerika prairieën of savanen, in Zuid-Amerika 11 a n o's
of pampa's; in Afrika, op Nieuw-Holland en de verschei-
dene deelen van Azië veranderen die eentoonige vlakten, door
volslagen gebrek aan water, in zand- en zout-w o e s t ij n e n,
afgewisseld met enkele vruchtbare plekken, welke men oasen
noemt.
Bij de bergen onderscheidt men den ondersten rand als v o e t,
daarboven volgt de hjelling, en de bovenste rand heel kam
of r u g; de daarboven verheven gedeelten gelden als top, naar
zijne gedaante verschillende benamingen dragende , zooals kop,
koepel, dom, spits, piek, hoorn, naald of kegel.
Verdiepingen in den khm tusschen de toppen van een bergketen,
heet men passen, wanneer ze althans begaanbaar zijn. De
veel dieper ruimte tusschen twee hoogten, alwaar gemeenlijk een
beek of rivier stroomt, omdat zij meestal strekt tot afwatering
van den op den bergrug vallende regen, heet een dal; de
dalen, welke de richting der bergketenen volgen, zijn lengte-
dalen, — de [andere, doorgaans tusschen steile rotswanden be-
sloten, dwarsdalen. Be groote dalen of valleien vertakken
zich dikwerf in kleinere nevendalen. De bodem van een dal
daalt soms]^eensklaps aanmerkelijk en daar ter plaatse vormt de
rivier dan een sH r o o m v e r s n e 11 i n g of een waterval.
Gebergten niet hooger dan 2500 meter rijzend (boven den
zeespiegel) noemt men middelgebergten; verheffen zij
' %