Boekgegevens
Titel: Beknopte aardrijksbeschrijving
Auteur: Kuyper, J.
Uitgave: Gorinchem: J. Noorduyn en zoon, 1880
2e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 5817
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201148
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van de aarde
Trefwoord: Geografie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Beknopte aardrijksbeschrijving
Vorige scan Volgende scanScanned page
16
is verbonden; N i e u w-H o 11 a n d ligt geheel afgezonderd en
Amerika is nog verder van de overige vastlanden verwijderd;
op hunne beurt zijn Noord- en Z u i d-rV m e r i k a slechts
door eene zeer smalle landengte, die van Panama, aan elkan-
der verbonden.
Van veel belang vooral voor de meerdere of mindere toegankelijkheid
van het binnenland is de verhouding van den ronip der vastlanden tot
de ledematen. Hoe dieper de zeeboez{;ms in het land dringen, des
te meer lengte bezit de kust en des te me(M' schiereilanden worden er
, gevormd. Is toch een stuk land slechts met (^én der zijden aan het
vastland verbonden, terwijl de overige door de zee omringd zijn , dan
noemt men dit een schiereiland; zeer smalle schiereilanden heet
men landtongen. De strook lands, die zulke deelen aan den romp
verbinden, zijn landengten. Waar de kust ver in zee uitspringt,
meestal als vertakking van een gebergte, spreekt men van kaap,
hoofd, neus, spits.
De oppervlakte van het land heeft eene zeer afwisselende
hoogte boven den zeespiegel; het behoort tot de uitzonde-
ringen dat een gedeelte van ons Vaderland beneden den
spiegel der ze^ ligt en door duinen en dijken voor overstrooming
moet beveiligd worden. Overal waar de bodem nergens hooger
dan 350 meter rijst, spreekt men van laagland, al het andere
is hoogland; wisselt de hoogte over eene groote uitgestrekt-
heid weinig of niet af, dan heet het land vlak; er kan
dus evengoed van o o g e als van lage vlakten sprake
wezen.
Beperkt de afwisseling in hoogte zich tot een honderdtal meters,
dan noemt men dit een heuvelland; verrijzen plotseling samen-
hangende hoogten uit vaste rots bestaande, dan heet dat een
gebergte, met name wanneer die hoogten zich vrij regelmatig
om een gemeenschappelijk middelpunt verheffen ; breiden zulke
hooge rotsen zich in de lengte uit, dan spreekt men van b e rg-
ketenen. De bergreeks, welke eene hoogvlakte van het lager
gelegen land scheidt heet een r a n d g e b e r g t e ; bestaat die
reeks uit meerdere rijen, de een hooger dan de ander, dan
worden terrassen gevormd.