Boekgegevens
Titel: Beknopte aardrijksbeschrijving
Auteur: Kuyper, J.
Uitgave: Gorinchem: J. Noorduyn en zoon, 1880
2e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 5817
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201148
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van de aarde
Trefwoord: Geografie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Beknopte aardrijksbeschrijving
Vorige scan Volgende scanScanned page
152
Niet ver van de westkust breidt zich van het N. naar het
Z.W. de hoogste land verheffing uit, de Kjöl (spr. Kjeul),
een ware ruggegraat, door fjorden langs de westzijde diep
ingesneden. Euim 2500 meter hooge toppen, omgord door
uitgebreide gletschers, verheffen zich op die bergruggen of
fjelden, vooral in 't westen van het Dovre-fjeld, waar-
over de groote weg van Christiania naar het noorden voert. —
Van den Kjöl daalt de bodem langzaam naar de Oostzee,
gelijk men dit duidelijk kan zien uit den loop der talrijke
rivieren, afgebroken door meren en watervallen; langs die zee
is de grond zeldzaam hooger dan 100 meter.
Het klimaat is ruw, maar terwijl de oostzijde zeer strenge
winters heeft, zijn die aau de westkust opvallend zacht en door
den invloed van den Golfstroom (zie bl. 1.3) blijft aan zee zelfs
geen sneeuw liggen. Behalve in zuidelijk Zweden is het rots--
en boschlandschap overal grootsch, — Het noordelijkst deel
wordt bewoond door de Lappen, ongeveer 1600, meest met
rendierkudden rondzwervend of gevestigd als visschers; alle
overigen zijn Germanen en belijden bijna zonder uitzonde-
ring den lutherschen godsdienst, leder bewoner van het schier-
eiland kan lezen en schrijven. Akkerbouw en veeteelt zijn bijna
uitsluitend in de zuidelijke gewesten voordeel afwerpend; noor-
delijker ziju mijnbouw en boschteelt (planken, teer, potaseh,
zwartsel) de voornaamste middelen van bestaan; in Noorwegen
is van het zuiden tot hel noorden de vischvangst van buiten-
gewoon belang (stokvisch, levertraan, haring); de scheepvaart
is overal van groot gewicht.
'Langs de kusten liggen tallooze eilanden verspreid, het grootst
en belangrijkst zijn de bijna zonder uitzondering bewoonde,
rotsige Lofodden ten westen van Noorwegen, aan welker
zuideinde zich een gevaarlijke Maalstroom bevindt.
De beide Eijken hebben onder denzelfden Koning zeer ver-
schillend bestuur en wetten; in Zweden ongeveer op Neder-
landschen voet ingericht, in Noorwegen meer democratisch, de
Koning heeft er bijna geen macht.