Boekgegevens
Titel: Beknopte aardrijksbeschrijving
Auteur: Kuyper, J.
Uitgave: Gorinchem: J. Noorduyn en zoon, 1880
2e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 5817
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201148
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van de aarde
Trefwoord: Geografie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Beknopte aardrijksbeschrijving
Vorige scan Volgende scanScanned page
■«9P
Kometen bestaan uit eene nevelaehtige kern en hebben
een van de Zon afgekeerden verlichten staart; zij bewegen zich
ook om de Zon, maar in zeer lang gerekte banen.
De Aarde heeft eene bijna kogelvormige gedaante, want de mid-
dellijn aan de evennachtslinie is 1718è, en de pool-as 17121 mijlen
lang. Om deze as wentelt zij zich in eene west-oostelijke rich-
ting in 24 uren; vandaar d a g en n a c h t. Te gelijker tijd
loopt zij ook in een eenigszins schuinen stand en wel in één
jaar of juister in 365| dagen van het weslen naar |het oosten
om de Zon, en legt in dien tijd een weg af van ongeveer 126 mil-
lioen mijlen, zoodat zij elke seconde 4 mijl vau het wereldruim
doorvliegt.
Het aspunt, dat is toegekeerd naar de zijde van de poolster,
noemen wij de noordpool, — het tegenovergestelde [de
zuidpool; aan die punten komt de reeds vermelde afplatting
voor, welke nagenoeg Yhr van de middellijn bedraagt. Een
om de geheele Aarde getrokken cirkel, die overal even ver van
de beide polen verwijderd is, noemen wij evenaar, equator
of evennachtslinie; deze verdeelt den bol in een noordelijk
en zuidelijk halfrond.
Dat de Aarde rond is , wordt niet alleen opgemaakt uit de
omstandigheid, dat alle overige hemellichamen |dien vorm heb-
ben , maar ook omdat de schaduw, die wij ten tijde van eene
maansverduistering op de Maan zien vallen, rond is; voorts
omdat men op zee altijd eerst de masten en zeilen van een
naderend schip en pas later den romp ziet, terwijl ieder gedeelte
der oppervlakte, welke men van een berg of een mast kan over-
zien, steeds eene cirkelvormige gedaante heeft. Die ronde lijn,
welke overal den gezichtseinder begrenst, heet de horizon
of kim; aan de oostzijde van dien horizon zien wij de Zon
opgaan, en na het beschrijven van een cirkelloop schuin boven
ons hoofd — den zoogenaamden z o n s w e g, — weder aan de
tegenovergestelde zijde van den horizon ondergaan. Het spreekt
vanzelf dat er slechts in figuurlijken zin sprake kan zijn van
opgaan en ondergaan der Zon, maar dat het aan de dagelijksche
iÊmm