Boekgegevens
Titel: Nederland, zijne provinciën en koloniën: land en volk beschreven
Auteur: Kuyper, J.
Uitgave: Leeuwarden: Hugo Suringar, 1878
Leeuwarden: Corporatieve Handelsdrukkerij
2e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NO 09-562
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201128
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van Nederland
Trefwoord: Geografie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nederland, zijne provinciën en koloniën: land en volk beschreven
Vorige scan Volgende scanScanned page
67
de overtuiging der belangrykheid van dezen tak van volks-
welvaart. *)
De aankweeking van pluimvee is hier te lande niet
van groot belang en treedt evenals de bijenteelt bij dit
overzicht op den achtergrond, al zal er bij de beschou-
wing der afzonderlijke gewesten nog weieens op gewezen
worden.
§ 55. Eene andere afdeeling van voortbrengselen uit het
dierenrijk komt echter nog in aanmerking als er sprake is
van de bestaanmiddelen der Nederlanders; het is de
vischvangst, welke niet onopgemerkt mag blijven, want
al heerscht er oogenschijnlijk weinig welvaart onder de bevol-
king der visschersdorpen, sedert eeuwen leven duizenden uit-
sluitend van dezen tak van nijverheid; de buitengaatsch,
visscherij is van het meeste belang, al is het aantaal vaartui-
gen geringer dan dat voor de vischvangst op Zuiderzee,
Zeeuwsche stroomen en binnenwateren gebezigd.
De groote ofzoutharing-visscherg is de belangwek-
kendste tak, en gaat thans weder vooruit: Vla ar dingen en
Maassluis zijn de hoofdzetels; de bloeiende versch-
haringvangst wordt vooral door Scheveningen, Kat-
wijk en Noordwijk gedreven; de wal visch vangst en rob-
benslag, voorheen zoo belangrijk, zijn geheel te niet gegaan,
voor 't overige houdt de buitengaatsche visscherij zich bezig
mefkabeljauw-, schelvisch- en schrobnet-visscherij.— De Zui-
derzee is een ruim veld voor de binnenvisschers: op de
eilanden Urk en Marken en in enkele kustplaatsen, zoo-
als Vollenhove, Kampen, Harderwijk, Huizen en
Volendam behooren de meeste vaartuigen te huis, die al
naar het jaargetijde tot de bot-, panharing-, ansjovis- of
garnalen-vangst worden gebezigd; bg Texel zijn voorts
aanzienlyke oesterbanken en een aantal schepen wordt ge-
bruikt voor de schelpenvisscherij op de Wadden en zand-
platen, ten behoeve der kalkbrandergen, of voor de inzameling
van zeegras bij Wieringen. Eigenaardig is weder de vis-
scherij op de Zeeuwsche stroomen, alwaar oesters,
mosselen bij Bruinisse, Philippine en Graauw, an-
*) Hoe aanmerkelijk de opbrengst van den veestapel is, kan men natuurlijk
uit den nitvoer alleen niet opmaken, daartoe zouden meer cijfers noodig zijn;
men bedenke slechts dat Amsterdam jaarlijks voor eigen consumtie aanvoert
ruim 13000 runderen en ruim 6000 kalveren, ter waarde van pl. m./3 000000.
De waarde van het veraccijnsde rundvee bedroeg in Nederland over het jaar
1873/23 618000.