Boekgegevens
Titel: Nederland, zijne provinciën en koloniën: land en volk beschreven
Auteur: Kuyper, J.
Uitgave: Leeuwarden: Hugo Suringar, 1878
Leeuwarden: Corporatieve Handelsdrukkerij
2e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NO 09-562
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201128
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van Nederland
Trefwoord: Geografie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nederland, zijne provinciën en koloniën: land en volk beschreven
Vorige scan Volgende scanScanned page
60
gemoed plaDten, dat flauwheid onmogelyk hand aan hand
gaat met welgeplaatste vaderlandsliefde.
Eene oppervlakkige kennismaking met de bewoners der
noorderlyke en zuidelyke gewesten zal dadelyk doen bespeu-
ren , dat de eersten ernstiger, minder toenaderend zijn dan
de opgewekte, joviale Brabanter of Limburger; maar
het zal een punt van overweging kunnen uitmaken, of het
gemis dier gezellige deugden by den Hollander, Fries
of Groninger niet ruimschoots vergoed wordt door de on-
dervinding, dat hunne vriendschapsblijken, wanneer eens het
ijs gebroken is, stellig gemeend zijn en geen bloote welle-
vendheid de drijfveer is.
§ 49. Aan de Nederlanders is een wélgeplaatst ge-
voel van zedelijkheid eigen en evenzoo weldadigheid een
aangeboren karaktertrek van allen, onverschillig waar zy wo-
nen en gevestigd zijn; dit laatste brengt ons van zelf in
herinnering, dat zij nogal gehecht zyn om op hunnen ge-
boortegrond te leven en te sterven, misschien wel wat al te
sterk, als men let op de gunstige gevolgen die de vestiging
van jongelieden in vreemde landen vooral voor den handel-
stand kan hebben; onze koopsteden worden dan ook over-
stroomd met vreemdelingen, terwijl de Nederlander er
byna niet toe kan besluiten zyn kind naar buiten te zenden,
gelijk de Brit en de Duitscher doen.
De eigenaardigheden van den boerenstand strekken, hoe-
wel gemeenlijk met natuurlijkheid en eenvoud gepaard
gaande, niet altijd tot het vellen van een gunstig oordeel;
onoverwinlijke stijfhoofdigheid en een zekere boerentrots
maakten hen niet bemind bij den stedeling, doch sedert de-
gelijk onderricht ook op het platteland is doorgedrongen,
verdwijnen die gebreken meer en meer.
Omtrent de spaarzaamheid moet hier eene opmerking vol-
gen ; zij is te huis bij den Nederlander, dat is niet te
ontkennen, maar of zy zóó algemeen is, zóó goed wordt toe-
gepast als wel wenschelyk voorkomt, moet men betwijfelen:
immers de spaarbanken telden bij ons in 1873 slechts 118656
deelhebbers met een te goed van ruim ƒ 9 000000 , benevens
7815 deelhebbers in spaarkassen met ƒ 150000 aan inlagen, —
in het minder bevolkte Zwitserland telde men in 1862
reeds 353855 deelhebbers met oen zevenmaal grooter te goed
dan het onze.