Boekgegevens
Titel: Nederland, zijne provinciën en koloniën: land en volk beschreven
Auteur: Kuyper, J.
Uitgave: Leeuwarden: Hugo Suringar, 1878
Leeuwarden: Corporatieve Handelsdrukkerij
2e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NO 09-562
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201128
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van Nederland
Trefwoord: Geografie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nederland, zijne provinciën en koloniën: land en volk beschreven
Vorige scan Volgende scanScanned page
Vele hoofdtooisels zijn voor 't overige niet alleen merk'
waardig wegens den vorm, maar ook wegens de kostbaar-
heid van de kanten, het goud of de juweelen waaruit zy
worden saamgesteld; nog herkent men de Zuid-Holland-
sche kap aan den rijkdom van kant, de Noord-Ho 11and-
sche kap en het Friesche oorijzer aan de massief gouden
hoofdplaten en de juweelen naalden.
Jammer genoeg gaat met het overtollige ook het aanbe-
velenswaardige verloren, want de geschikte bovenklee-
ding der mannen maakt bijna overal voor meer steedsche
kleedij plaats, en alleen de visschers der eilanden blijven on-
verdroten gehecht aan hunne praktische dracht.
§ 47. De Nederlandsche taal is die van het geheele
volk. Aanmerkelijk is het verschil tusschen de spreek- en schrijf-
taal , daar de laatste nog maar al te veel aan zekere styfheid
en pedanterie, de eerste daarentegen aan slordigheid lydt. De
schrijftaal is vooral door mannen als Beets, Kneppelhout, van
Lennep en anderen van het stijve kanselkleed ontdaan en na-
dert de beschaafde spreektaal, zooals die zonder inmenging
van dialekt behoort gesproken te worden. Bijna overal, zelfs
in de beschaafdste kringen, is de spreektaal eenigermate ver'
mengd met plaatselijke of gewestelijke eigenaardigheden, die
vooral in den mond der vrouwen iets eigenaardig bekoorlijks
kunnen hebben. Zoo wordt bijv. in plaats van het voornaam-
woord ffij tegenover meerderen u met den derden persoon van
het werkwoord gebruikt, tegenover gelijken je en jij, terwijl
de vervoeging van het hulpwerkwoord wezen of zijn in de zeer
gewone uitdrukking je bent, we hennen ook ongetwijfeld tot de
eigenaardigheden der spreektaal behoort; in sommige gewes-
ten wordt, vooral wanneer men tegen meerderen spreekt,
in plaats van het voornaamwoord het zelfstandig naamwoord
gebezigd, als: heeft meneer dat gezienl De zoogenaamde
boekentaal, die men thans poogt van het tooneel te verban-
nen, verdient volstrekt geene verdediging en wordt door geen
man van smaak meer gebezigd.
De hoofdtongvallen der Nederlandsche taal zijn: 1". het
Hollandsch, dat door de in de 17e eeuw vooral in Holland
bloeiende letterkunde een grooten invloed op de schrijftaal
heeft verkregen, en in Holland en een deel van Utrecht
wordt gesproken; — 2". het Zeeuwsch, dat met het Hol-
landsch de meeste overeenkomst heeft, doch in Staats«