Boekgegevens
Titel: Nederland, zijne provinciën en koloniën: land en volk beschreven
Auteur: Kuyper, J.
Uitgave: Leeuwarden: Hugo Suringar, 1878
Leeuwarden: Corporatieve Handelsdrukkerij
2e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NO 09-562
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201128
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van Nederland
Trefwoord: Geografie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nederland, zijne provinciën en koloniën: land en volk beschreven
Vorige scan Volgende scanScanned page
60
bereiding voor het bouwland doch met onbemeste weiden,
als de zorgvuldige vlaamsche bouwer ij met bemeste wei-
landen; op de klei treft men nog meer verschil in de be-
handeling aan: terwyl eenigen allen korenbouw met braak-
lig gen afwisselen, vermijden anderen dit door een meer
oordeelkundigen wisselbouw, — de een herschept na een
Gjarigen omloop zyn bouwgrond in weiland, de ander
wisselt de gewassen wel af, maar meent dat zijn bouwland
steeds bouwland en zijn weiland steeds weiland moet blyven;
niet overal worden de graanakkers even zorgvuldig gewied
en nog schaars stuit men op de zoo aanbevolen ryenteelt,
terwyl een aantal landbouwers, hoezeer het nut van de drai-
neering (drooglegging door buizen) vooral van losse gron-
den erkennende, tegen de eerste kosten opzien. In alle op-
zichten is echter verbetering te bespeuren, vooral door den
gunstigen invloed, die de gewestelijke vereenigingen tot be-
vordering van de belangen der landbouwers uitoefenen.
Weêr en wind oefenen natuurlyk veel invloed uit op de
oogsten: het ééne gewas eischt droogte, het andere daar-
entegen vochtigheid, en ten slotte weegt het welslagen van
sommige produkten dikwerf ruimschoots op tegen het mis-
lukken van een ander gedeelte van den oogst; terwijl nacht-
vorsten in den laten zomer de boekweit doen te gronde gaan,
lyden andere gewassen er volstrekt geen nadeel door; de
ruime graanoogsten gaan soms gepaard met een klein beschot
van stroo en ook omgekeerd, zoodat zeer zeldzaam een jaar
in alle opzichten nadeelig is.
§39. Het hoofdvoortbrengsel van onzen landbouw
is de rogge; daarop volgen naar de waarde, welke de oog-
sten vertegenwoordigen, tarwe, haver, gerst en boek-
weit. Eigenlijk hadden wij de aardappelen in de eerste
plaats moeten noemen, maar het verschil in opbrengst, waar-
aan dit grootendeels voor binnenlandsche konsumtie bestemd
gewas onderhevig is, maakte dit niet wenschelijk. Op die hoofd-
produkten volgen dan oliezaden, erwten en boonen,
vlas en hennep, tabak eu meekrap *), eindelijk de meer
speciale teelt van cichorei, hop, fijne zaden, suiker-
bieten, mange 1 wortelen, warmoeziersgewassen ,
sierplanten, bloemen, geneeskruiden, druiven
*) Dit gewas wordt veel minder verbouwd sedert de kleiirstoflen, welke de
scheikunde uit koolteer trekt, het verbruik van garancine beperken