Boekgegevens
Titel: Nederland, zijne provinciën en koloniën: land en volk beschreven
Auteur: Kuyper, J.
Uitgave: Leeuwarden: Hugo Suringar, 1878
Leeuwarden: Corporatieve Handelsdrukkerij
2e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NO 09-562
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201128
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van Nederland
Trefwoord: Geografie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nederland, zijne provinciën en koloniën: land en volk beschreven
Vorige scan Volgende scanScanned page
20
sluizen in den Dollart vallen, worden tegenwoordig onder
de vaarten gerangschikt. De Kleine en Groote Tja Ryt
ontlasten zich beide aan Groningens noord-oostelgken uit-
hoek door sluizen in de Eems monding en bespoelen vette
kleigronden.
De H u n s e draagt verschillende namen in de onderscheidene
deelen van haren loop en valt bg Zoutkamp in de Lau-
werszee; zij ontspringt in de Drentsche veenen bij
Valthe als Exloosch diep, heet, na opname van het
onbeduidende Oude diep, het Groote diep, daarna ver-
eenigd met het van Borger toestroomend Voorste diep
de Oostermoersche vaart, die bij haren oorsprong nabij
Gasselter-nijeveen bevaarbaar wordt: door de Gieter-
en Anner-veenen nadert zij het Zuidlaardermeer en
verlaat dit in Groningen als Drentsch diep; de hoofd-
stad van gemeld gewest treedt zij als Schuitendiep binnen;
versterkt door het Hoornsche diep, dat uit de Drentsche
Aa ontstaat, ontlast zij zich onder de benaming van Reit-
diep in het noordwesten der provincie Groningen; het
benedenst gedeelte van haar loop was aan den invloed van
ebbe en vloed blootgesteld en de vruchtbare landerijen welke
haar bezoomen, werden derhalve door dijken beschut, maar
in den allerjongsten tijd is dit diep door sluis werken afge-
sloten en voor groote zeeschepen bevaarbaar gemaakt.
De kleine Lauwers vormt de grenzen van Friesland
en Groningen, was voorheen aanzienlijker en ontlast zich
bij Munnikezijl door eene sluis in de Lauwerszee,
De Ee valt uit het westen in denzelfden zeeboezem en is
door verbeterde kanalisatie zoo gewijzigd, dat men haar onder
de vaarten telt.
De Boorn ontstaat in Friesland nabij de Groning-
sche grenzen onder den naam van Koningsdiep en wordt
bij Beetsterzwaag bevaarbaar, vloeit langs Oldeboorn en
Akkrum, neemt hier rechts de Grouw op en vereenigt zich
iets lager als Wetering met het Sneekermeer, dat op
zijn beurt met tallooze vaarten en door een aantal meren
met de overige Friesche stroomende wateren en de Zui-
derzee verbonden is. De voornaamste uitmondingen dezer
plassen en stroomen zijn bij Harlingen, Makkum, Wor-
kum, Stavoren, Takozijl en de Lemmer.
De Kuinder of Tjonger ontstaat in het oosten van
Friesland in de Haulerveenen en richt zich in wyde