Boekgegevens
Titel: Nederland, zijne provinciën en koloniën: land en volk beschreven
Auteur: Kuyper, J.
Uitgave: Leeuwarden: Hugo Suringar, 1878
Leeuwarden: Corporatieve Handelsdrukkerij
2e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NO 09-562
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201128
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van Nederland
Trefwoord: Geografie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nederland, zijne provinciën en koloniën: land en volk beschreven
Vorige scan Volgende scanScanned page
■226
overbodig wordt, en hoopt dit doel te bereiken door eene
aanmoediging van vrgen arbeid en geheele afschaffing der
heeren-diensten (persoonlgke dienstverstrekking ter vervanging
van belasting.)
Een breed bergland, dat soms ééne, soms meerdere
bergketens vormt, loopt over de geheele lengte, en vormt
eene voortdurende afwisseling van liefelijke heuvelklingen en
soms ijzingwekkende rotskloven; daar verrijzen de 45 vulka-
nische bergtoppen. Aan de zuidkust meestal steil nederdalend,
is de helling noordwaarts langzaam eu eene vrij breede, dik-
werf moerassige, maar overal hoogst vruchtbare vlakte wordt
daar met de meeste zorg bebouwd; de dalen tusschen de ber-
gen zijn menigmaal even vruchtbaar en gemeenlek zeer laag
gelegen; alleen het rijk bebouwd plateau van Bandoeng in de
Preanger Regentschappen is ruim 600 meter hoog. De be-
langrykste vulkanen, die elkander van het westen naar het
oosten over het geheele eiland opvolgen, zijn de Poelasari,
de Salak, de Gédé, de Tangkoeban-prahoe, de Papandajan, de
Goentoer, de Galoengoeng, de Telaga-bodas, de Tjérimé, de
Slamat, het Diëng-gebergte, de Sindoro, de Soebing, de Oen-
garan, de Merbahoe, de Merapi, de Lawoe, de Wilis, de
Kloet, de Kawi, de Ardjoeuo, het Tengger-gebergte met de
Bromo en de Smeroe, de Lamongan, de Ajang, de Rawoen
en de Idjen, meest allen eene hoogte van 2000 tot 3000
meter en meer bereikend. Hoe smal ook, wordt Java in vier
gordels ouderscheiden , waarvan de eerste verreweg het grootste
gedeelte beslaat:
het heete gebied tot 650 meter hoogte, met verbouw
van rijst, suikerriet, peper, indigo, kokospalmen;
het gematigd gebied tot 1300 m., met kofSe, thee en
Europeesche groenten;
het koele gebied tot 1950 m. met loofhout;
het koude gebied, tot enkele bergtoppen beperkt, met
gras en alpen-flora.
Uit den aard der zaak zijn hier geene buitengewoon groote
rivieren, maar evenwel is het land doorweven met tallooze
beken, die zich soms in rassche sprongen zeewaarts spoeden,
verscheidene trotsche watervallen en enkele bevaarbare rivieren
vormen: de Solo en Kediri, beide nabijSoerabaiain zee vallend,
zgn de voornaamste in het oosten; in westelijk Java zgn de
minder belangrijke Tji-manoek en Tji-taroem noemenswaard.