Boekgegevens
Titel: Nederland, zijne provinciën en koloniën: land en volk beschreven
Auteur: Kuyper, J.
Uitgave: Leeuwarden: Hugo Suringar, 1878
Leeuwarden: Corporatieve Handelsdrukkerij
2e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NO 09-562
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201128
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van Nederland
Trefwoord: Geografie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nederland, zijne provinciën en koloniën: land en volk beschreven
Vorige scan Volgende scanScanned page
■217
zou opmerken, als de kolossale woekerplanten, de reusachtige
slingerplanten of lianen, de prachtige bloemen waarvan men
in gematigde klimaten de wederga vruchteloos zoekt, niet
iedereen, zelfs den leek, levendig herinnerden dat hier de zonne-
stralen krachtiger werking te voorschijn roepen dan bij ons.
Slechts hier en daar, waar de bodem door bebouwing eenigs-
zins is uitgeput, worden akker en bosch afgewisseld door onaf-
zienbare alang-alangvelden, wier stijve grassprieten tot bedek-
king van huizen worden gebezigd.
Heerlijke vruchten groeien hier in den natuurstaat, en
vele zijn van elders met uitnemend gevolg overgebracht: de
manggista en doerian, de ananassen en watermeloenen zijn
de meest geurige en verfrisschende. Dat de kapas, eene soort
van katoenstruik, overal in Oost-Indië wordt gevonden, dat
op de Molukken het vaderland der muskaatnoten en der
kruidnagels te zoeken is, dat daar tevens de sagopalm
in welige bosschen groeit, en dat er tallooze planten met gun-
stigen uitslag worden aangekweekt, hetzy voor den bast, zoo-
als de kaneel en de kina, of voor de olie, of voor de
gommen en harsten of voor de peulen, zooals de peper en
andere gewassen, stippen we slechts ter loops aan.
§ 165. Tallooze diersoorten verlevendigen woud en veld,
berg en dal; sommige dragen veel bg tot de welvaart der
bevolking, andere kenmerken zich alleen door bloeddorstige
stropergen en vallen den weerloozen inboorling aan.
Tot de huisdieren behooren de logge buffels (karbouwen),
voor allerlei soort van veld-arbeid gebezigd, — de tamme
runderen van Indisch ras, veel fijner van bouw dan het
Europeesch, — voorts paarden, gemeenlijk klein van stuk
maar vlug en gezond. Van alle dieren is het varken
hier het menigvuldigst: tot op de kleinste eilanden vindt
men dit als huisdier of in het bosch, ofschoon de Mohamme-
daansche iniandsche bevolking het vleesch niet eten mag;
herten en antilopen, wilde ossen en andere viervoeters bevol-
ken den bodem, terwijl apen van allerlei soort en vleder-
muizen van verschillende grootte de boomen tot verblijf kiezen.
Op Java en Sumatra wemelt het voorts van tijgers, onder
welke de zwarte, vooral in de Javaansche residentie Rembang,
eigenaardig zijn; de andere groote en kleine eilanden worden
door luipaarden en tijgerkatten bewoond; bijna overal vindt