Boekgegevens
Titel: Nederland, zijne provinciën en koloniën: land en volk beschreven
Auteur: Kuyper, J.
Uitgave: Leeuwarden: Hugo Suringar, 1878
Leeuwarden: Corporatieve Handelsdrukkerij
2e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NO 09-562
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201128
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van Nederland
Trefwoord: Geografie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nederland, zijne provinciën en koloniën: land en volk beschreven
Vorige scan Volgende scanScanned page
■192
schutterij ziju geliefkoosde vermaken en harmonie-vereeni-
gingen aan de orde van den dag.
De groote uitgestrektheid, vier-en-twintig uur van het wes-
ten naar het oosten, veroorzaakt een aanzienlijk verschil in
de grondgesteldheid; wel is waar is de geheele provincie vlak,
maar de moerassige veenen van de op de Limburgsche grenzen
wel 35 meter hoog gelegen Peel, vormen een groot onder-
scheid met de uitgestrekte zandgronden en heiden in het
zuiden en oosten, en nog aanzienlijker verschil merkt men
op tusschen deze en de vette kleilanden langs de Maas en in
het westen ; daar wedyvert de bodem in vruchtbaax-heid met
Zeeland, terwijl in de Meierij vele gedeelten bijna even on-
dankbaar zijn als de Veluwe, vooral in die oorden waar de
grond uitgestrekte oerbanken bevat, zooals in en om Wan-
roij, alwaar tegenwoordig voor buitenlandsche gieterijen veel
ijzer-oer wordt gegraven en langs paarden-spoorbanen naar de
rivier ter verscheping gezonden. Gebrek aan water is in
vele hooge streken de grootste belemmering om het land in
cultuur te brengen, en gebrek aan mest paart zich daar-
aan ; hoewel het grasland eenigszins het bouwland in uitge-
strektheid overtreft (1.1 : 1), zoo kan hier aan krachtige
ontginning evenmin worden gedacht als elders waar de mest
niet in ruimer mate aanwezig is; nog 30"''o ligt onge-
bruikt, want zoowel heideveld als peelland komen slechts
voet voor voet onder den ploeg of worden langzamerhand
voor de teelt van naald- en akkermaalshout gewonnen.
§ 150. Landbouw, veeteelt, verveeningen, handel
en nijverheid hebben dit gewest tot een hoogen staat van
bloei gebracht.
a) Landbouw. Rogge is het graan dat hier het meest
verbouwd wordt, en aanzienlijke hoeveelheden boekweit paren
zich daaraan in het zuiden en oosten: de aardappelen
behooren zoowel te huis op de zandgronden als op de vette
noordwestelijke kleipolders; hier ruime productie van tarwe,
haver, garst, hop, meekrap, oliezaad, vlas, peulvruch-
ten, beetwortelen en uitnemend hooi, — daar minder
voordeelige oogsten van rogge^, boekweit, rapen , veevoeder.
De moezerijen en boomgaarden zijn vooral in de om-
streken van Breda allerbelangrijkst, en deze takken gaan steeds
vooruit; bloemisterijen beginnen ook goede rekening te geven.
De hout teelt is hier van gewicht, ruim 12% van den