Boekgegevens
Titel: Nederland, zijne provinciën en koloniën: land en volk beschreven
Auteur: Kuyper, J.
Uitgave: Leeuwarden: Hugo Suringar, 1878
Leeuwarden: Corporatieve Handelsdrukkerij
2e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NO 09-562
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201128
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van Nederland
Trefwoord: Geografie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nederland, zijne provinciën en koloniën: land en volk beschreven
Vorige scan Volgende scanScanned page
ALGEMEEN GEDEELTE.
I. LAND.
§ 5. De grond van Nederland is grootendeels vlak,
de verheffingen zijn weinig aanzienlyk en toch valt er nog-
al iets van dien bodem mede te deelen. Als wy uit D u i t s c h-
land of België onze grenzen overschreden, zien wy al de
rivieren zeewaarts stroomen, hetgeen ons duidelgk leert dat in
het oosten en zuidoosten de grond zich het hoogst verheft;
toch is dit niet zoo belangryk dat het oog de daling kan
bemerken: breede golvingen van het terrein voeren van de
kusten af langzamerhand naar boven, maar de hoogste
verheffing is nog onbeduidend als men ze ver-
gelijkt by de bergen, die elders verrijzen en met name het
binnenland van ons werelddeel bezetten. Het zuidoostelijkst
deel van ons land tusschen Maastricht en de grenzen
bg Aken is het hoogste gedeelte; de tot de oudere formatiën
behoorende heuvels die daar als noordelyke uitloopers der
Ardennes bijna geheel Zuid-Limburg vullen en, waar
zy niet met bosch bedekt zyn, zeer goeden bebouwbaren grond
opleveren, bereiken eene hoogte van ruim 200 M. boven den
zeespiegel: de Bescheilberg op de Luiksche grenzen
en de übaghsberg ten zuidwesten van Heerlen zijn er
de aanzienlykste toppen, evenwel verdienen zy den naam
van berg eigenlijk niet. Langzamerhand helt de grond af
naarde Noordbrabantsche kleilanden langs de Maas
en hare takken, terwijl de overgang van de oudere vormingen
naar het alb'vium grootendeels uit zandgronden (zooge-
naamd diluvium) en gedeeltelyk uit veenbeddingen bestaat.
Ongeveer hetzelfde zien wij in het oosten plaats grypen:
in oostelijk Overysel is de bodemverheffing niet onaan-
zienlyk, zy bedraagt daar op den breeden Tankenberg
bij 01 den zaal ruim 80 M. en bestaat evenals iets zuide-
lijker in het oosten van het Graafschap Zutfen uit
secundaire en tertiaire vormingen, die door zandgronden
en veenbeddingen tot de kleiryke IJselboorden
dalen, terwijl deze noordwaarts den Hondsrug in het mid-
den van Drenthe helpen vormen en eerst in Groningen
plaats ruimen aan de latere vloedgronden. Nog eenmaal