Boekgegevens
Titel: Nederland, zijne provinciën en koloniën: land en volk beschreven
Auteur: Kuyper, J.
Uitgave: Leeuwarden: Hugo Suringar, 1878
Leeuwarden: Corporatieve Handelsdrukkerij
2e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NO 09-562
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201128
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van Nederland
Trefwoord: Geografie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nederland, zijne provinciën en koloniën: land en volk beschreven
Vorige scan Volgende scanScanned page
Voorheen was Nederland als laagste afhelling van de E a-
ropeesche bergstreken, als mondingsland van Rijn, Maas
en Schelde, een met meren bezaaid moeras; langzamer-
hand verkreeg de bodem meer vastheid door de stoffen welke
de rivieren afvoerden, maar eerst door kunstmatige bescher-
ming werd die grond een zekere woonplaats voor den mensch
en een rustig verblyf voor de huisdieren. Vroeger hadden
bosschen de overhand, zy bedekten de drasse streken en de
hooge landruggen, maar later begreep men dat door zorg-
vuldige bewerking van den grond meer partij van de vrucht-
baarheid was te trekken.
Doch de stryd van den bewoner tegen de overweldigende
stroomen en vloeden kon niet zonder veel oordeel, groot ge-
duld en eindelooze volharding ten gunste van den eerste be-
slist worden, en nog is hij niet voldongen en er is wellicht
geen volk op aarde, dat steeds zoo krachtig tot den oorlog
moet zijn toegerust als het vreedzame Nederlandsche;
maar het is een oorlog die, hoe de uitslag ook zy, een duur-
zamer eerzuil sticht dan alle overige welberaamde verove-
ringsplannen, een oorlog die de bewondering van landzaat
en vreemdeling verdient en geniet, een strijd die tot ver-
wonderlyk schoone uitkomsten leidde, al toonde de zee meer-
malen dat zij eene gevaarlijke vijandin was: in de 13de eeuw
toen zij Zuiderzee en Dollart tot haar domein verklaarde,
in de 15de eeuw toen de St. Elizabethsvloed van 1421 den
Biesbosch vormde, en nog dikwerf later, het laatst in
1825, ofschoon deze geweldige overstrooming geen land deed
te gronde gaan. In de jongste jaren wordt de strijd steeds
en byna altijd met gelukkig gevolg door ons voortgezet: in
den Dollart, langs de Wadden, in de inhammen van
de Zuiderzee, in den Biesbosch en langs de Zeeuw-
sche stroomen wordt telkens verloren terrein herwonnen,
en al erkent ieder volmondig dat Nederlands lot in Hoo-
ger hand berust, zoo begrijpt men toch ook dat de mensch
zelf moet medewerken, om door het in toepassing brengen
van zijne duurgekochte ervaring in de meeste gevallen het
gevaar af te wenden.
De buitensluiting van den gemeenschappelyken vijand, de
zee, was echter niet genoeg: binnenlandsche plassen en me-
ren bedreigden bovendien de omringende landstreken; het
Haarlemmermeer en zoovele andere trachtten steeds hun