Boekgegevens
Titel: Nederland, zijne provinciën en koloniën: land en volk beschreven
Auteur: Kuyper, J.
Uitgave: Leeuwarden: Hugo Suringar, 1878
Leeuwarden: Corporatieve Handelsdrukkerij
2e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NO 09-562
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201128
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van Nederland
Trefwoord: Geografie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nederland, zijne provinciën en koloniën: land en volk beschreven
Vorige scan Volgende scanScanned page
^sm
121
vorderen. De knapste vau het kleine gemeenebest, dat deze
werklieden onderling vormen, heeft het■ gewichtigst werk te
verrichten, hij is de aannemer van den arbeid en zal ook wel
het best beloond worden. Aan hem is de taak opgedragen
den turf te steken, zijn juist oog bedriegt hem nooit en in
één wip is de in het vierkant afgestoken turf van zijne spade
op de schop van zijn bovenbuurman gelegd en zoo gaat dit
dikwerf vier-, vyfmaal, voordat de turven op den platten
kruiwagen te recht komen, want meermalen zijn die veenbed-
dingen ellen diep; voorzichtig worden ze dan op een vlakke
plek gronds van den kruiwagen gelicht en in staande rgen tot
di'oging nevens elkander geplaatst. Elders zijn vrouwen en kna-
pen bezig zulke rijen in groote hoopen van twee, drie meter
hoogte op te stapelen : dat zijn de voorraadschuren, die daar
menigmaal te midden van sneeuw en regen ongedekt overwin-
teren, want wat deze vochtig maken drogen de wind en de len-
tezon. Doch niet alles blijft op het veld, het grooter deel wordt
zoo spoedig mogelijk afgeleverd en daar ginds, by die reeks op
lading wachtende pramen, heerscht de grootste drukte; onder
vroolijk gesnap worden die ruwe turven daar zoo net in lagen
op elkander gevlijd als wij ze in de groote steden zien aan-
voeren; het gaat er soms ongedwongen genoeg toe, want
men is hier in geen salon, en als de schuit of het schip is
volgeladen en »allehands" dit langs het zijkanaal — de wijk —
naar het hoofddorp trekken, ziet men ze dikwerf bg een sluis
op eene rij geschaard om ieder op de beurt, man of meisje ,
het half maatje troostwater, alias jenever, naar binnen te
wippen. Men zou wanen, zoo ging het vrouwelijke geheel ver-
loren ! maar neen, wacht slechts een oogenblik: men nadert de
eerste huizen en plotseling wordt halt gehouden, iedere vrouw
haalt eene hagelwitte muts te voorschijn en voltooit daarmede
haar toilet eer het dorp betreden wordt; men zou het dan
die blozende wangen en dien dikwerf fijn besneden mond, welke
altijd met een prachtige rij tanden prgkt, niet aanzien dat de
eigenares haar brood als een sjouwerman verdient.
d) Handel. De hoofdzetel van den groothandel in dit ge-
west is ontegenzeggelgk Meppel; daar wordt alles heengezon-
den en vandaar wordt het meerendeel van het platteland van
't noodige voorzien: de ligging dier stad brengt dit mede; het
verkeer met het buitenland over de landgrenzen is onbelang-
rijk, maar liet binnenlandsch vertier neemt steeds toe. Het