Boekgegevens
Titel: Nederland, zijne provinciën en koloniën: land en volk beschreven
Auteur: Kuyper, J.
Uitgave: Leeuwarden: Hugo Suringar, 1878
Leeuwarden: Corporatieve Handelsdrukkerij
2e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NO 09-562
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201128
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van Nederland
Trefwoord: Geografie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nederland, zijne provinciën en koloniën: land en volk beschreven
Vorige scan Volgende scanScanned page
119
De door het Ryk opgeheven Koloniën van Welda-
digheid zyn byna geheel op woeste gronden in dit gewest
aangelegd; Frederiksoord met de aangrenzende landbouw-
koloniën in Overysel wordt thans door eene Vereeniging van
particulieren beheerd. — Veenhuizen strekt nog tot opneming
van bedelaars en weezen, voor Rijks rekening.
§ 100. De bewoners vinden hun bestaan hoofdzakelijk in
landbouw, veeteelt, veenderij, op enkele plaatsen in
handel en scheepvaart.
а) L a n d b O u w. Deze wordt over 't algemeen nog op aarts-
vaderlijken trant gedreven, de esschen of bebouwde plekken
bij de dorpskommen zijn zelden met wegen doorsneden en dus
is het bijna onvermijdelijk, dat op de geheele oppervlakte de-
zelfde soort van graan wordt verbouwd, ten einde gelijktijdig te
kunnen oogsten; de grond is voor 't overige door de markenver-
deeling in zooveel kleine stukken gesplitst, dat dit het onder-
nemen van groote verbeteringen niet in de hand werkt; het
goede voorbeeld van groote grondbezitters begint echter reeds
gunstig te werken, maar het plaggensteken om den mest te
vermeerderen blijft nog zooveel mogelijk in gebruik. Jaarlijks
worden een aantal hooge veenen aan de oppervlakte afgebrand,
de asch dient tot mest, de nog warme bodem wordt bezaaid en
zonder verdere bewerking leveren die uitgestrekte velden soms
kostelijke oogsten van veen-boekweit. De verhouding van het
bouwland tot het grasland is als 1 tot 4'/o, en een aantal
landerijen wordt bovendien met knollen, klaver, spurrie en
andere voedergewassen voor het vee bezaaid: de hoofdvoort-
brengselen zijn aardappelen, rogge, boekweit, haver
en gerst; de ooftteelt en warmoezerij is onbeduidend, maar bijna
2%, van het gewest is bereids aan boschcultuur gewijd, en
deze levert veel voordeel op. Dat er weinig of geen fijne of
kostbare gewassen worden geteeld, is geen gevolg van minder
willigheid van den grond, maar veeleer toe te schryven aan
, de schaarschte van mestspeciën , die men veel te goed voor
nieuwe ontginningen kan bezigen.
б) Veeteelt. Een groot gedeelte van het rundvee wordt
met stalvoedering onderhouden, daardoor is het mogelijk dat
de veestapel zoo aanzienlijk is en met name de runderen, al-
thans in de zuidwestelijke streken, met de beste rassen kunnen
wedijveren; de zuivelbereiding is daar dan ook van belang
en alleen in Meppel wordt wel twee millioen kilogram boter aan-