Boekgegevens
Titel: Nederland, zijne provinciën en koloniën: land en volk beschreven
Auteur: Kuyper, J.
Uitgave: Leeuwarden: Hugo Suringar, 1878
Leeuwarden: Corporatieve Handelsdrukkerij
2e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NO 09-562
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201128
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van Nederland
Trefwoord: Geografie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nederland, zijne provinciën en koloniën: land en volk beschreven
Vorige scan Volgende scanScanned page
109
opbrengst der in deze provincie verspreide eendekooien.
üoor de teelt van koolzaad en de heideplantenis de bg en-
teelt voor velen van belang, doch geen hoofdzaak.
De talrgke meren maken de jacht op waterwild zeer
Yoordeelig en op de bouwgronden zijn hazen en patrgzen
het geliefdkoosd doel der jagers.
h) Landbouw. Ten noorden van de hoofdstad Leeuwar-
den ligt bgna al het bouwland, op den langzamerhand inge-
polderden kleibodem; vooral het Bildt, dat pas sedert twee
eeuwen is ingedijkt, moet in de eerste plaats genoemd wor-
den. Het braakliggen wordt tegenwoordig meestal vermeden
door een oordeelkundigen wisselbouw der hoofdproducten :
bijv. het eerste jaar sterk gemest voor koolzaad, het tweede
jaar volgt tarwe of wintergerst, het derde erwten, boonen
of aardappelen, het vierde eindelijk cichorei of vlas. Op de
gemeenlijk 30 tot 40 bunders groote pachthoeven worden,
wegens den zwaren grond, bijna evenveel paarden als runde-
ren aangehouden en de opbrengsten zijn uitnemend, maar de
voordeden worden zeer ongelijk verdeeld door de verbazend
hooge pachten; overal ziet men verbeteringen aanbrengen,
ofschoon de onzekerheid, of men na verloop van 5 ä 7 jaren
-weder huurder wordt, die belemmert; sedert de wegen alge-
meen verbeterd zgn, is de ontwikkeling van den landboiiw
«venwel allerwege duidelijk zichtbaar. Het spreekt van zelf
dat op den zandgrond de landbouw op geheel andere wijze
wordt gedreven, däär legt de boer zich ook meer op hout-
teelt toe. De verhouding van het bouwland tot het grasland
is in Friesland als 1 tot 4; toch zijn de oogsten hoogst
belangrijk en wel vooral van tarwe, koolzaad, haver, rogge,
gerst, boonen en erwten, boekweit, aardappelen, cichorei
en vlas. Warmoezerg en ooftteelt zijn er nog weinig ont-
wikkeld.
c) Veenderij. De verveeningen zijn hier zeer belangrijk
en geven, gedurende verscheidene maanden, aan nagenoeg
7000 personen werk; zij hebben echter hare grootste hoogte
bereikt. Vooral rondom Heerenveen wordt de meeste bagger-
turf uit lage veenen gewonnen, de meer oostwaarts liggende
hooge veenen zijn van weinig minder belang. Men kan de
opbrengst der lage en hooge veenderijen schatten ieder op
ruim 2 millioen ton turf.
d) Visscherg. Zoowel de zee-als de binnenvisscherg is