Boekgegevens
Titel: Lagerwey's Aardrijkskunde van Nederland en zijne overzeesche bezittingen
Auteur: Lagerwey, J.
Uitgave: Amsterdam: C.L. Brinkman, 1871
4e, verb. en verm. dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 5790
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201119
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van Nederland
Trefwoord: Geografie, Nederlandse koloniën, Nederland, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lagerwey's Aardrijkskunde van Nederland en zijne overzeesche bezittingen
Vorige scan Volgende scanScanned page
17
is ons land het hoogst, zoodat de helling van het O. naar het
W. en van het Z. naar het N. afloopt. De bodem bestaat uit
vloedgrond (alluvialen) d. i. aangespoelden grond; zand-
grond (diluvialen) en uit tertiaire, d. z. de oudste
grondlagen. De eersten liggen op de zandgronden en vor-
men de kleigronden langs de rivieren, de hooge en lage
veenen en het grootste deel onzer bouwlanden. De zand-
gronden vindt men in het O. en midden van ons land en
zijn te kennen aan de gerolde steenen en de vuursteenen; de
heidevelden en heuvels, die men in ons land vindt,behoo-
ren ook tot die vorming. De oudste, de tertiaire vormingen
vindt men in het oostelijke deel des lands, en zijn kenbaar aan
de bouwsteenen en versteeningen, die daar worden aangetroffen.
Voortbrengselen. Uit het dierenrijk: runderen, welke veel
boter en kaas leveren, paarden, schapen, geiten, varkens, hazen,
konijnen, vossen, otters, bunsings; tam en wild gevogelte;
veelvisch en bijen. Uit het plantenrijk: tarwe, rogge, gerst,
haver, boekweit, koolzaad, meekrap, vlas, hennep, aardappelen,
beetwortelen, klaver, hop, ooft, tuinvruchten, tabak, bloemen,
hout en gras. Uit het delfstoffenrijk: turf, steenkool,
bouwsteen, ijzer, keien , pot-, pijp- en tichelaarde, en schelpen.
Middelen van bestaan. Een groot gedeelte der Nederlanders
houdt zich bezig met landbouw en veeteelt, met vis-
scherij en jacht; terwgl een ander deel handel drijft, ter
zee vaart of zijn bestaan vindt in de vele fabrieken van
verschillenden aard, die hier worden gevonden.
Onderwijs. Het geven van onderwijs is vrij, behoudens het
toezicht der overheid en het onderzoek naar de bekwaamheid
en zedelijkheid der onderwijzers.
Het onderwijs wordt gesplitst in Hooger-, Middelbaar-
en Lager onderwijs.
Het eerste wordt gegeven aan drie Hoogescholen: te
Leiden, Utrecht en Groningen (het aantal studenten bedraagt on-
geveer 1200), aanAthenaea, Seminaria en Gymnasia.
Het Middelbaar onderwijs is in 1863 geregeld. Het
wordt gegeven aan Burger- Dag- en Avond-scholen,
aan Hoogere Burgerscholen met 3- en met Sjarigen cur-
sus en aan de Polytechnische school. Plaatsen met
meer dan 10.000 inwoners zijn verplicht eene Hoogere Bur-
gerschool te hebben. Van het Rijk worden er 15 , ééne Land-
bouwkundige en ééne Polytechnische school opgericht.
In elke gemeente wordt Lager onderwijs gegeven vol-
gens de wet van 1857. In 1867 waren er 2572 openbare
en 1069 bijzondere scholen te zamen met 437.262 leerlin-
^ gen, benevens 588 bewaarscholen. Het onderwijs werd
__2
Ned. Schoolmuseum
Amsterdcim