Boekgegevens
Titel: Kort begrip der bijbelsche geschiedenis: een schoolboek voor de jeugd
Auteur: Verwey, Bernardus
Uitgave: Leyden: D. Du Mortier en zoon
Deventer: J.H. de Lange
Groningen: J. Oomkens, 1813
Maatschappij: Tot nut van 't algemeen
4e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 9204
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201033
Onderwerp: Theologie, godsdienstwetenschappen: godsdienstige opvoeding
Trefwoord: Bijbelse geschiedenis, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Kort begrip der bijbelsche geschiedenis: een schoolboek voor de jeugd
Vorige scan Volgende scanScanned page
CESCHIEDENIS. II
der gezegend, ondervond gods gunst en J. d. w.
kreeg de herhaalde verzekering van vorige
beloften. Een onberaden ftap zijner zo- '
nen veroorzaakte hem echter eecig verdriet.
Met zijne woning brak hij op, en ging
naar andere oorden. Zijne beminde ra-
chel ftierf in het kraambed, na hem den
jongden zoon benjamin ter wereld ge-
bragt te hebben. Nu bezocht jak os
zijnen ouden vader i s a ä k , die kort dasrop,
in den ouderdom van honderd en tachtig
jaren, overleed, en bij zijne ouders begra-
ven werd (*).
IX. J a k o b had, op raad zijner vrouwen, over
ook hare flavinnen bilha en silpa ge--'-^'""*
... vrouwen
trouwd, bij welke vier vrouwen hij zamen ea z»nen.
twaalf zonen had, die naderhand de hoof-
den van de volkllammen in Israël werden.
Jakob ondervond, door den huisfelijken
twist der vrouwen, en de verfchillende ge-
Iaardheid zijner zonen, hoe veel nadeel
het aanbragt, tegen de goddelijke in-
ftelling, meer dan ééne vrouw te hebben.
iDoor j a k o b s eenzijdige liefde voor zij-
nen zoon JOZEF, had hij in zijne oude
^ dagen veel hartzeer, het gene zijne overige
zonen hem berokkenden. Deze, nijdig
op hunnen broeder, namen eerst voor^
hem te dooden. Dit voornemen gelukkig
verijdeld zijnde, werd jozef op eenen
tijd, wanneer hij hen in het veld opzocht,
boosaardig en fch'andelijk als flaaf verk jcht
aan eenige voorbijreizende Umaëliten, die
i;-dezen jongeling met zich naar Egypte
^■voerden, en hem weder verkochten, zoo'dat
(*) Gen. XXXII-XXXIII.