Boekgegevens
Titel: Kort begrip der bijbelsche geschiedenis: een schoolboek voor de jeugd
Auteur: Verwey, Bernardus
Uitgave: Leyden: D. Du Mortier en zoon
Deventer: J.H. de Lange
Groningen: J. Oomkens, 1813
Maatschappij: Tot nut van 't algemeen
4e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 9204
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201033
Onderwerp: Theologie, godsdienstwetenschappen: godsdienstige opvoeding
Trefwoord: Bijbelse geschiedenis, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Kort begrip der bijbelsche geschiedenis: een schoolboek voor de jeugd
Vorige scan Volgende scanScanned page
lo B IJ B E L « c H E
j. d. w. ftcfk aanwon. — Eerst woonden zij in tiol-
i-i65<> boomen, fpelonken en holen, — na-
derhand vonden zij losfe draagbare wonin-
gen, of tenten uit, eerst wel verllrooid
van eikanderen zich nederflaande, maar na-
derhand reeds in eene buurtfchip bijëenvoe-
gende. Kaïn bragt dit reeds in trein, en
noemde deze eerde verzameling van wo"
mngtn, Hamch. Hun bedrijf beftond in den
landbouw en de veefokkerij; van dit laatfte
werd vooral eene zwervende levenswijze
gemaakt, zijnde ingevoerd door jabal,
welke ftand, naderhand, zter uitgebreid en
zelfs aanzienlijk is geworden. - De tijd en
noodzakelijkheid deden allengs de kunsten
en handwerken uitvinden. Behalve jabal
zijn de andere kleinzonen van kaïn, hier
in cok beroemd geweest, JubaiI vond de
zang en fpeeltuigen, waar op men blaast,
^ uit; tuBalkaïn was de maker en ge-
bruiker der eerfte krijgswapenen. — In het
laatfte van dit tijdvak was men reeds ver
gevorderd in het gebruik van gereedfchnp-
pen en in de bouwkunde, gelijk uit de Ark
van NOACH blijkt (♦).
Toene- vermenigvuldiging der men"
Blende ze-fchen vermeerderden ook de ondeugden. —
helr'" eeuwen had de wereld reeds ge-
' ' ftaan , en hoe verder van adam af, hoe
meêr bederf; \ zelfs de weinige deugdzame
lieten zich verleiden door het voorbeeld
der menigte. De heerfchende ondeugden
waren hoogmoed en rnjd, welke de bron-
nen werden, van de grootfle zedeloosheid,
/ wellust en fnoodheid. De liefderijke god
liet de menfcheu wel ernflig waarfchuwenj
ja
Gen. IV. vï. 17-aj,