Boekgegevens
Titel: Leerboek der algemeene geschiedenis voor eenigszins gevorderden
Auteur: Kollewijn, A.M.
Uitgave: Amersfoort: A.M. Slothouwer, 1886
5e dr
Opmerking: I: De Oudheid. II: Middeleeuwen en Nieuwe Tijd
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 5487
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201029
Onderwerp: Geschiedenis: algemene wereldgeschiedenis; geschiedenis van grote gebiedsdelen, bevolkingsgroepen en beschavingsgebieden: algemeen
Trefwoord: Wereldgeschiedenis, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Leerboek der algemeene geschiedenis voor eenigszins gevorderden
Vorige scan Volgende scanScanned page
m
61
dezen weder op candere volken van West-Azië over-
gegaan.
De bevaarbare rivieren Tigris en Euphraat en de
nabyheid der zee lokten de Babyloniërs tot een leven-
digen handel uit, en daar het in die streken bijna nooit
regent, wendden zij de jaarljjksche overstroomingen van
den Euphraat door het aanleggen van dijken, en het
graven van kanalen zoo goed.voor den landbouw aan,
dat gerst en tarwe een twee- somtijds driehonderdvou-
digen oogst oplevei'den. De Babyloniërs werden een
rijk en weelderig, handeldrgvend en landbouwend volk,
met voor dien tijd zachte zeden. Hunne slaven werden
vry goed behandeld; er waren jaarlyks slavenfeesten,
die vijf dagen duurden.
De vrouw daarentegen was in een vernederenden
toestand, niet slechts wegens het bestaan der veelwij-
verij, maar omdat zij volgens de wet aan den meest-
biedende als echtgenoote werd verkocht.
De godsdienst der Babyloniërs heeft zich ontwikkeld
uit dien der Akkads, die een ontelbaar aantal in klas-
sen verdeelde geesten vereerden. De booze geesten
werden door toovermiddelen bestreden. De scherpe
scheiding tusschen goede en booze geesten had slechts
eene zeer ondergescliikte zedelyke beteekenis; in de
onderwereld wachtte allen hetzelfde lot. De hoogste
goden waren die van den hemel, die van de onder-
wereld en die van den dampkring. Een lager drietal
bestond uit den zonnegod, den maangod en den wind-
god. Eigenaardig was de vereering van den maangod,
die als middelaar tusschen goden en menschen werd
voorgesteld. De goden en godinnen werden door de
Akkads als natuurkrachten beschouwd, maar de Baby-
loniërs en Assyriërs begonnen hen te beschouwen als
wezens, die boven de natuur verheven waren en haar
beheerschten. Zij kwamen zelfs tot het begrip van een