Boekgegevens
Titel: Leerboek der algemeene geschiedenis voor eenigszins gevorderden
Auteur: Kollewijn, A.M.
Uitgave: Amersfoort: A.M. Slothouwer, 1886
5e dr
Opmerking: I: De Oudheid. II: Middeleeuwen en Nieuwe Tijd
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 5487
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201029
Onderwerp: Geschiedenis: algemene wereldgeschiedenis; geschiedenis van grote gebiedsdelen, bevolkingsgroepen en beschavingsgebieden: algemeen
Trefwoord: Wereldgeschiedenis, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Leerboek der algemeene geschiedenis voor eenigszins gevorderden
Vorige scan Volgende scanScanned page
52
teling, waarin de Jaliwe-profeten zegevierden. Zij
plaatsten daarop Jehu op den troon, wiens geslacht het
ryk tot grooten bloei bracht. Doch eindelijk moest
Israël, gelijk zooveel andere staten, zwichten voor het
machtige Assyrië. Salmanasar V, de koning van dit
rijk, sloeg het beleg voor Samarïa, en toen hij kinder-
loos overleden, en door een der dapperste heeren van
zijn hof, Saryoekin (Sargon), opgevolgd was, bezweek
de uitgeputte stad (719 v. C.). Saryoekin deed de kern
der bevolking naar de streken van den Euphraat en
den Tigris verhuizen. Den gevangenen, die Saryoekin
op de Suzianen in Medië had gemaakt, gaf hij woon-
plaatsen in Samarïa. De stad werd de zetel van een
Assyrisch stadhouder, en op de plaatsen, waar eens
Jahwe was vereerd, verrezen tempels voor de goden
der nieuwe bewoners.. Het Israëlietische landvolk, dat
achter was gebleven, had zulk een afkeer van de As-
syrische heerschappij, dat het in grooten getale naar
Juda en Egypte uitweek.
Ook in het rijk der twee stammen, Judea, kwam het
tot een strijd tusschen de dienaren van Jahwe en die
van Baal, toen Athalïa, de dochter van Achab en ge-
huwd met Ahazia, den koning der Judeërs, na den
dood van haar gemaal en van haar zoon zich van den
troon meester gemaakt, en aan de door Jehu vervolgde
baaipriesters eene schuilplaats verleend had. Door den
ijver van de priesters van den Jeruzalemschen tempel
zegevierde de Jahwe-dienst, en sedert werd Jahwe
door de meest ontwikkelden niet meer gelijkgesteld met
andere goden, maar beschouwd als een god der goden,
die zich Israël als zijn volk had uitverkoren. Onder de
regeering van Jozïa (f 610 v. C.) begon de invloed
van de partij <ier Jahwe-priesters sterk toe te nemen.
Overeenkomstig de leer der oude profeten verkondig-
den zij, dat wegens 's volks zonde een strafgericht van