Boekgegevens
Titel: Leerboek der algemeene geschiedenis voor eenigszins gevorderden
Auteur: Kollewijn, A.M.
Uitgave: Amersfoort: A.M. Slothouwer, 1886
5e dr
Opmerking: I: De Oudheid. II: Middeleeuwen en Nieuwe Tijd
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 5487
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201029
Onderwerp: Geschiedenis: algemene wereldgeschiedenis; geschiedenis van grote gebiedsdelen, bevolkingsgroepen en beschavingsgebieden: algemeen
Trefwoord: Wereldgeschiedenis, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Leerboek der algemeene geschiedenis voor eenigszins gevorderden
Vorige scan Volgende scanScanned page
43
den Egyptisclien godsdienst twee hoofdgedachten: de
overwinning van het licht op de duisternis en de schep-
ping door den hoogsten en ongeschapen god. De eerste
gedachte werd voorgesteld door den strjjd van den
zonnegod Ea, wiens voornaamste tempel te An (Helio-
pblis) was, tegen de slang Apap. Als zegepraal van
het leven over den dood werd deze gedachte uitgedrukt
in de mythe van den zonnegod Osiris, die door zijn
boozen broeder Set verslagen, door zyne gade Isis be-
weend, en door zijn zoon Ilorus gewroken wordt. Ho-
rus wordt daarop de heerschende god op aarde. Osiris
in het doodenrijk. De tweede hoofdgedachte vindt men
terug in den vuurgod Ptah van Memphis, den voTmer,
die met behulp van eenige andere goden en daaronder
Chnoem, den god der wateren, den bouwmeester, alles
heeft geschapen. Tijdens de heerschappij der Farao's
van Thebe, die zulke ontzaglijke bouwwerken tot stand
brachten, nam de vereering van Ptah en Chnoem toe.
Ongemerkt begonnen de eerediensten van de hoofdgo-
den Ra, Osiris en Ptah samen te smelten. De priesters
of geleerden stelden meer de verschillende goden voor
als openbaringen van een ongeschapen god en naderden
daardoor het monotheïsme, welk denkbeeld zij eehter
nooit ondubbelzinnig uitspraken. Tegelykertijd nam ook
de dierenvereering toe. Naast de alom vereerde stier-
goden, de zwarte Apis van Memphis en de witte
of gele van Heliopölis, werd onder de koningen van
Thebe, die zooveel voor de verbetering der kanalen
deden, aan den krokodil, als belichaming van den god
van het drinkbare en vruchtbaarmakende water, steeds
hooger en algemeener eer bewezen. Van den krokodil
meende men, dat dit dier ieder jaar zijne eieren zoo-
ver van den oever legde als de overstrooming zou
komen. De hooge achting, die men aan heilige dieren
toedroeg, kan daaruit blijken, dat er bij een brand