Boekgegevens
Titel: Leerboek der algemeene geschiedenis voor eenigszins gevorderden
Auteur: Kollewijn, A.M.
Uitgave: Amersfoort: A.M. Slothouwer, 1886
5e dr
Opmerking: I: De Oudheid. II: Middeleeuwen en Nieuwe Tijd
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 5487
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201029
Onderwerp: Geschiedenis: algemene wereldgeschiedenis; geschiedenis van grote gebiedsdelen, bevolkingsgroepen en beschavingsgebieden: algemeen
Trefwoord: Wereldgeschiedenis, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Leerboek der algemeene geschiedenis voor eenigszins gevorderden
Vorige scan Volgende scanScanned page
33
Ten gevolge daarvan werd er eene kerkvergadering
geliouden, waarop de leer vastgesteld, een kettergericht
in 't leven geroepen, en het besluit genomen werd, het
ware geloof niet kracht te verspreiden door middel van
zendelingen. Tot het jaar 178 v. C. groeide het aantal
Boedhaïsten steeds aan. Toen werd het vorstenhuis van
Tsjandragoepta vervangen door een ander, waarvan de
stichter, Poeshpamitra, eene hevige vervolging tegen de
aanhangers van Boedha begon. De worsteling duurde
tot in de vierde eeuw n. C.: dan eens hadden de Brah-
manen, dan weder de Boedhaïsten de overhand. Van
dien tijd af gingen laatstgenoemden sterk achteruit, tot
zij in de 7ile eeuw n. C. door eene bloedige vervolging
in Indië nagenoeg werden uitgeroeid. Hunne leer Ideld
echter stand in Tibet, China, Japan, Achter-Indië enz.,
zoodat tegenwoordig het aantal Boedhaïsten op ongeveer
500 millioen wordt geschat. Zij gelooven ecliter geheel
andere dingen dan eens gepredikt werden door Boedha,
die, naar zij meenen, den hoogsten rang inneemt onder
de goden, en eens door eene wonderdadige geboorte op
aarde is nedergedaald om het menschdom te verlossen
uit de ellende, waaronder liet zucht.
In hun strijd tegen het Boedhaïsme begrepen de
Brahmanen, dat zij hunne leer verstaanbaarder moesten
maken voor het volk om zich te kunnen staande hou-
den. Zij deden dit door meer werk te gaan maken van
den vroeger ondergeschikten volksgod Vishnoe, die
wordt voorgesteld als de schildpad, die bij het karnen
van den hemeloceaan (de schepping) de aarde draagt,
als de ever, die de aarde in evenwicht houdt, als zij
in de onderwereld is gezonken, en als de visch, die
Manoe uit den zondvloed redt. Gelijk Boedha uit den
hemel nederdaalt en mensch wordt, zoo dikwijls de
wereld uit de ellende moot worden verlost, neemt Vish-
noe eene aardsche gedaande aan (eigenlijk uvatara,
3