Boekgegevens
Titel: Leerboek der algemeene geschiedenis voor eenigszins gevorderden
Auteur: Kollewijn, A.M.
Uitgave: Amersfoort: A.M. Slothouwer, 1886
5e dr
Opmerking: I: De Oudheid. II: Middeleeuwen en Nieuwe Tijd
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 5487
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201029
Onderwerp: Geschiedenis: algemene wereldgeschiedenis; geschiedenis van grote gebiedsdelen, bevolkingsgroepen en beschavingsgebieden: algemeen
Trefwoord: Wereldgeschiedenis, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Leerboek der algemeene geschiedenis voor eenigszins gevorderden
Vorige scan Volgende scanScanned page
22
eigenschappen, vei-heven boven de natuur en scheppers
en bestuurders der vs^ereld, zoodat zedelijkheid en gods-
dienst nauwer met elkander werden verbonden. De
Brahmanen, dichters en zangers van heilige liederen,
die aanvankelijk met het geheugen bewaard bleven,
wisten door den eerbied, dien men allerwegen voor
dichters had, het priesterschap te verkrijgen, en deden
sedert hunne eischen en aanmatigingen hooger stijgen.
Het gelukte hun, zich in de gunst der vorsten te drin-
gen en de bescherming, die zy ondervonden, en de
weldaden, die hun bewezen werden, als een godsdien-
stig werk te doen beschouwen. Als leiders van den
openbaren eeredienst wisten zy het gezag der vorsten
voor het hunne te doen wijken, en tevens slaagden zy
erin, de voornaamste staatsambten en het geheele onder-
wys in handen te krijgen, zoodat zy zich allengs konden
voordoen als de uitsluitende bewaarders en uitleggers
van de goddelijke openbaringen en als de bezitters der
hoogere wetenschap, die het volk niet verstond. De
Brahmanen slaagden des te gemakkelyker, dewijl eerst
sedert de derde eeuw v. C. het letterschrift in Indië
voor letterkundige doeleinden gebruikt begon te worden.
Toen de Hindoes zich van de vlakten, door Indus
en Ganges besproeid, meester maakten, onderwiei-pen
zij de oorspronkelijke bewoners, met wie zij als men-
schen van eene andere soort geene gemeenschap wilden
hebben. Het verschil werd duidelyk aangegeven door
de kleur (varna), daar de Ariërs eene blanke, de in-
boorlingen eene donkere huid hadden. Toen de Hindoes
gevestigde staten geltregen, en zich in landbouwers,
krijgslieden en geleerden gescheiden hadden, viel het
den Brahmanen niet moeilijk de overtuiging te vestigen,
dat die soorten van menschen evenzeer van verschil-
lenden oorsprong waren. Aldus ontstonden hi de Indische
maatschappij die scherp afgesneden standen^ waartoe