Boekgegevens
Titel: Leerboek der algemeene geschiedenis voor eenigszins gevorderden
Auteur: Kollewijn, A.M.
Uitgave: Amersfoort: A.M. Slothouwer, 1886
5e dr
Opmerking: I: De Oudheid. II: Middeleeuwen en Nieuwe Tijd
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 5487
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201029
Onderwerp: Geschiedenis: algemene wereldgeschiedenis; geschiedenis van grote gebiedsdelen, bevolkingsgroepen en beschavingsgebieden: algemeen
Trefwoord: Wereldgeschiedenis, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Leerboek der algemeene geschiedenis voor eenigszins gevorderden
Vorige scan Volgende scanScanned page
13
de boozen door tegenspoed gestraft werden. Hij geloof-
de niet, dat de Hemel zijn wil door openbaringen deed
kennen, en beschouwde een voorteeken of een voorge-
voel slechts als eene waarschuwing. Zyn onderricht is
door leerlingen zyner leerlingen in di-ie van de vier
klassieke boeken opgeteekend. In het eerste de Ta Mo
of Groote Oefening, waarin de plichten van den mensch
worden besproken, leest men: „De groote oefening be-
staat in het ontwikkelen onzer rede. — De wezens der
natuur hebben eene oorzaak en uitwerkselen; de men-
schelijke daden hebben een beginsel en gevolgen: kent
men de oorzaken en de uitwerkselen, de beginselen en
de gevolgen, dan is men zeer dicht genaderd tot het
stelsel, dat op de rede gebouwd is, en waarmede men
de volmaaktheid bereikt. — De uitdrukking: zijne be-
doelinr/en zuiver en oprecht te doen worden, beduidt:
Doe uwe rechtmatige neigingen niet ontaarden, zooals
die van een onaangenamen reuk te ontvlieden en een
bevallig voorwerp aangenaam te vinden. Daarom waakt
de wijze zorgvuldig over zijne geheime bedoelingen
en gedachten. — De rykdommen versieren een huis
en luisteren het op, de deugd versiert en luistert den
persoon op; in dien staat van rein geluk wordt de ziel
grooter en de stoffelijke zelfstandigheid, die aan haar
onderworpen is, deelt in dat voorrecht."
Van het tweede boek, Tsjoeng yoeng of de On-
veranderlijkheid in het Midden, begint het eerste
hoofdstuk met de woorden: „De lastbrief des He-
mels (het den menschen ingeschapen beginsel voor
alle levensverrichtingen en handelingen) heet redelijke
natuuren het tweede met: „De man met uitstekende
deugd volhardt onverandelijk in het midden; wie geene
beginselen heeft, is aanhoudend met dit onveranderlyk
midden in strijd." Het volgende komt in het derde
boek, Liiun tju of Wijsgeerige Gesprekken, voor; „Jaagt