Boekgegevens
Titel: Leerboek der algemeene geschiedenis voor eenigszins gevorderden
Auteur: Kollewijn, A.M.
Uitgave: Amersfoort: A.M. Slothouwer, 1886
5e dr
Opmerking: I: De Oudheid. II: Middeleeuwen en Nieuwe Tijd
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 5487
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201029
Onderwerp: Geschiedenis: algemene wereldgeschiedenis; geschiedenis van grote gebiedsdelen, bevolkingsgroepen en beschavingsgebieden: algemeen
Trefwoord: Wereldgeschiedenis, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Leerboek der algemeene geschiedenis voor eenigszins gevorderden
Vorige scan Volgende scanScanned page
243
kan nog rijden; wie eene hand verloren heeft, het vee
nog hoeden; de doove kan nog mede ten strijde trek-
ken ; ja, de bUnde kan nog leven, maar het lyk is dood,
en de dooden deugen nergens meer toe. Hoe armoedig
men het moge hebben, op eigen erf blijft men altijd
zyn eigen meester; een sti'ooien dak en twee geiten is
ver te verkiezen boven bedelen. Wie weinig werklie-
den heeft, sta vroeg op: veel wordt verzuimd door den
morgen te verslapen: „vaardig" is half „gewonnen."
Wie het hoofd en de have van een ander wil winnen,
ontwake bijtijds: den luien wolf ontgaat de buit, en
den slaper de overwinning. De vreesachtige vermijdt
den strijd, alsof hij eeuwig kon leven: de kwade ouder-
dom verschoont hem niet, al is hij aan de speer ont-
komen. Men zorge de juiste hoeveelheid droog brand-
hout te kennen, die voor de wintermaanden noodig is.
Een genoegzame voorraad doet rustig slapen zelfs in
den grimmigsten herfst, wanneer het weder soms vijf-
maal op een dag verandert. Wie zich een vermogen
heeft verworven, zij niet zoo dwaas zich zeiven afbreuk
te doen: menigeen spaart voor vreemden, wat hij voor
vrienden heeft bestemd. Het verstand van bekrompen
geesten is zoo klein als een zaadkorrel. Niet allen heb-
ben evenveel inzicht; in alles, wat op aarde is, heerscht
groote verscheidenheid. Heeft iemand zoo weinig ge-
moed en verstand, dat hij met aUes den spot drijft,
dan weet hij niet, en dit moest hy juist weten, dat hij
zelf niet vrij is van gebreken. Wie slapelooze nachten
doorbrengt, omdat de zorgen hem drukken, weet zich
slecht te redden: 'smorgens zal hij vermoeid zijn, en
de zorgen zyn hetzelfde gebleven. Men berispe nie-
mand, omdat hy in de strikken der minne (liefde) ge-
vangen is: het overkomt iedereen, en de minne maakt
den wysten man tot een dwaas. Matige wy'sheid doet
den man op zijne hoede zijn, niet al te wijs te wezen.