Boekgegevens
Titel: Leerboek der algemeene geschiedenis voor eenigszins gevorderden
Auteur: Kollewijn, A.M.
Uitgave: Amersfoort: A.M. Slothouwer, 1886
5e dr
Opmerking: I: De Oudheid. II: Middeleeuwen en Nieuwe Tijd
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 5487
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201029
Onderwerp: Geschiedenis: algemene wereldgeschiedenis; geschiedenis van grote gebiedsdelen, bevolkingsgroepen en beschavingsgebieden: algemeen
Trefwoord: Wereldgeschiedenis, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Leerboek der algemeene geschiedenis voor eenigszins gevorderden
Vorige scan Volgende scanScanned page
242
Donar was de eik gewijd als zinnebeeld der kracht.
De eeredienst bestond uit gebeden, zang, dans en voor-
namelijk het offer. Behalve vi'uchten en dieren werden
ook menschen geofferd, niet slechts misdadigers, maar
ook krijgsgevangenen en bij epidemieën zelfs kinderen.
Toen de Kimbren in Italië waren gevallen, kwamen
priesteressen in een wit gewaad en een zwaard in de
hand naar gevangengenomen Romeinen, beki-ansten hen,
lieten hen daarop boven een ketel houden en sneden
hun toen den hals af om uit het in den ketel stroo-
mende bloed den wil der goden op te maken. Ook uit
het hinniken van paarden, het vliegen of schreeuwen
van vogels en het ruischen van beken en stroomen
zocht men de toekomst te leeren kennen. Veelal ge-
schiedde dat door alrunen (waarzegsters). Eene andere
wijze van voorspellen geschiedde door het runenschrift
(rtme-geheimenis). Men nam daartoe een aantal staaf-
jes van beukenhout, sneed in ieder eene rune of letter,
wierp ze dan in 't wilde op den gTond, raapte (las) ze
vervolgens een voor een op, en stelde er dan een woord
van samen of ontleende aan ieder teeken een woord,
ter samenstelling van een zin.
De Gennanen verbrandden hunne dooden; aanzien-
lijken gewoonlijk met hunne wapenen en hun strijdros.
Over de asch werd een lijkheuvel opgeworpen. „Wee-
klagen en tranen," zegt Tacitus, „laten zij spoedig
varen, niet hunne droefheid. Jammeren past devromv,
trouw herdenken den man."
Gelijk uit de Edda blykt, hadden de Germanen eene
zeer opgewekte, hoopvolle levensbeschouwing. Wie leeft,
prezen zij gelukkig, want al is iemand niet rijk, hij
kan het worden. Niet slechts hij, die gezondheid en
Avelvaart geniet, heeft reden opgeruimd te zijn, zelfs de
kranke kan zich nog verheugen in zijne zonen, zijne
vrienden, zijn vee of zijne goede werken: de kreupele