Boekgegevens
Titel: Leerboek der algemeene geschiedenis voor eenigszins gevorderden
Auteur: Kollewijn, A.M.
Uitgave: Amersfoort: A.M. Slothouwer, 1886
5e dr
Opmerking: I: De Oudheid. II: Middeleeuwen en Nieuwe Tijd
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 5487
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201029
Onderwerp: Geschiedenis: algemene wereldgeschiedenis; geschiedenis van grote gebiedsdelen, bevolkingsgroepen en beschavingsgebieden: algemeen
Trefwoord: Wereldgeschiedenis, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Leerboek der algemeene geschiedenis voor eenigszins gevorderden
Vorige scan Volgende scanScanned page
238
vergadering tot weerbare mannen waren verklaard,
namen zij de gebruikelijke kleeding aan, en bezaten
zij liet reclit wapenen te dragen, de trots van den
Germaan.
Evenals bij de Perzen, is de grondgedachte van den
Germaanschen godsdienst de strijd tusschen de azen
(goden) en de ruwe natuurkrachten. De voornaamste
goden waren: de eenoogige Odin (Wodan), de alwetende,
met zijne nimmer missende frame Gungnir in de hand,
rijdende op zijn achtvoetig ros Sleipnir en later onder
den bijnaam Alvader als hoogste wezen beschouwd ; Thor
(Donar), de dondergod, met zijn wonderhamer Miölnir,
de bestrijder van de gevreesde wintermachten; Tyr
(Tys), de krygsgod; de geslepen Loki, de vuurgod, eerst
ten nauwste met Odin verbonden, later diens vijand
en de geest van leugen en boosheid. Onder de godin-
nen is merkwaardig Freia, de godin der schoonheid,
vruchtbaarheid en liefde. Bizondere vermelding verdie-
nen de drie nomen, vrouwelijke wezens, die het nood-
lot voorstelden, onder den levensesch Yggdrasil woon-
den, en de goden somtijds met raad ter zijde stonden.
Zij waren: Urd, de gewordene, Werdandi, de wordende,
en Skuld, de zullende. Lager in rang waren de elfen,
verdeeld in drie soorten, de lichte, de zwarte en de
donkere elfen; de beide laatste, waartoe de dwergen
behoorden, bewoonden de aarde.
De wereldbeschouwing, die zich langzamerhand bij de
Germanen vormde en waarop eindelijk het Christendom
zijn invloed deed gelden, is op te maken uit de oud-
Skandinavische mythen en sagen, die omstreeks 1000
n. C. in de oudere Edda verzameld zijn. In den be-
ginne bestond er niets dan warmte, koude en water.
In het Zuiden bevond zich het warme, lichte oord
Muspelheim en in het Noorden het koude Niflheim.
Tusschen die beide lag^een diepe afgrond, die gevuld