Boekgegevens
Titel: Leerboek der algemeene geschiedenis voor eenigszins gevorderden
Auteur: Kollewijn, A.M.
Uitgave: Amersfoort: A.M. Slothouwer, 1886
5e dr
Opmerking: I: De Oudheid. II: Middeleeuwen en Nieuwe Tijd
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 5487
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201029
Onderwerp: Geschiedenis: algemene wereldgeschiedenis; geschiedenis van grote gebiedsdelen, bevolkingsgroepen en beschavingsgebieden: algemeen
Trefwoord: Wereldgeschiedenis, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Leerboek der algemeene geschiedenis voor eenigszins gevorderden
Vorige scan Volgende scanScanned page
235
geboden de priesters stilte. Wie lust gevoelde, zette
zijne meening over de aan de orde zijnde zaak uiteen:
een gemompel der vergadering was een teeken van
afkeuring, het kletteren met de wapenen vangoedkeu-
i'ing. Op die vergaderingen werden de hertogen (leger-
aanvoerders), priesters en graven (gouwrechters) geko-
zen, welke ambtenaren de op het gewoonterecht berus-
tende of door het runenschrift bewaarde wetten uit-
voerden ; ook geschiedden er de aanklachten van en de
uitspraken over halsmisdaden.
Hetgeen ons van de Germanen, die Duitschland be-
volkten, bekend is, hebben wij, met uitzondering van
hun godsdienstig leven, voornamelijk te danken aan de
geschriften van Caesar en Tacitus. Volgens laatstge-
noemde, die hen als een in voorkomen en onbedorven
zeden eigenaardig volk beschrijft, hadden zy eene hooge,
krachtige gestalte, helder blauwe oogen en roodachtig
blond haar. Hunne gewone spijs bestond uit veldvruch-
ten, gestremde melk en wildbraad; hun geliefkoosde
drank was eene soort van bedwelmend gerstebier, dat vol-
gens Tacitus als bedorven wijn smaakte. De landbouw,
die door vrouwen, grijsaards en voornamelyk door on-
vrijen werd uitgeoefend, bracht ternauwernood genoeg
op voor de behoeften. De rykdom van een vrije be-
stond in runderen, schapen, wapenen en paarden. Het
vee diende ook als ruilmiddel; geld leerden de Gei-ma-
nen eerst langzamerhand door de Eomeinen kennen en
gebruiken. De algemeene kleeding bestond uit een lijf-
rok van linnen of eene dierenhuid, die den rechterann
vry liet en op den linkerschouder met eene gesp of een
doorn, en om de middel met een gordel bevestigd was.
De welgestelden droegen een korten, linnen lyfrok met
mouwen en daarover een mantel van pels; ook de
vrouwen droegen zulk een mantel en daaronder een
langen lijfrok zonder mouwen. De omgang met de