Boekgegevens
Titel: Leerboek der algemeene geschiedenis voor eenigszins gevorderden
Auteur: Kollewijn, A.M.
Uitgave: Amersfoort: A.M. Slothouwer, 1886
5e dr
Opmerking: I: De Oudheid. II: Middeleeuwen en Nieuwe Tijd
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 5487
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201029
Onderwerp: Geschiedenis: algemene wereldgeschiedenis; geschiedenis van grote gebiedsdelen, bevolkingsgroepen en beschavingsgebieden: algemeen
Trefwoord: Wereldgeschiedenis, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Leerboek der algemeene geschiedenis voor eenigszins gevorderden
Vorige scan Volgende scanScanned page
228
de beschaafde volken onzer dagen een grooten invloed
hebben uitgeoefend.
De eeuw van Augustus was de bloeitijd der Latijn-
sche poëzie. Vergilius Maro schreef toen zijn helden-
dicht de Aeneïs, Horatius Flaccus zyne satiren en oden,
en Ovidius Naso zyne Metamorphosen. Maar toen Au-
gustus in de tweede helft zijner regeering de vrijheid
der schryvers begon te beperken, en hij Ovidius zelfs
verbande, was het met de hooge vlucht der dichtkunst
gedaan.
Als wijsgeer muntte Seni^ca, Nero's leermeester, uit.
In zyne geschriften drong hij aan op erkenning der
menschenrechten, daarin bestaande, dat er met betrek-
king tot de deugd geen onderscheid is tusschen slaven,
vryen en koningen. Zijn keizerlijke leerling liet hem
het leven benemen. — Een tijdgenoot van Titus was
de natuui'kundige Plinius, die eene natuurlijke historie,
eigenlijk eene encyclopedie der wetenschappen, scln-eef,
en bij het waarnemen van de eerst bekende uitbarsting
van den Vesuvius den dood vond. Onder de regeering
van Trajanus sclireef, hoog bejaard, de grootste Ko-
meihsche geschiedschrijver, G. Cornelius Tacitus, be-
halve kleinere geschriften, Annales en Historiae, waarin
hij de binnen- en buitenlandsche gebeurtenissen van
14—96 n. C. beschi'ijft. Er is veel van verloren ge-
raakt.
Wel drong de Romeinsche letterkunde overal bij de
aanzienlijken in de provinciën door, doch daar, zoowel
als in Rome, werd het eigenlijke doel van alle bescha-
ving, veredeling van het gemoed, voorbijgezien. De
meer ontwikkelden streefden slechts naar geleerdheid
en geestigheid in het gezellig onderhoud, en naar ver-
fijnde vormen in den dagelijkschen omgang. Voor den
verwenden Romein was een leven buiten Rome eigenlijk
geen leven.