Boekgegevens
Titel: Leerboek der algemeene geschiedenis voor eenigszins gevorderden
Auteur: Kollewijn, A.M.
Uitgave: Amersfoort: A.M. Slothouwer, 1886
5e dr
Opmerking: I: De Oudheid. II: Middeleeuwen en Nieuwe Tijd
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 5487
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201029
Onderwerp: Geschiedenis: algemene wereldgeschiedenis; geschiedenis van grote gebiedsdelen, bevolkingsgroepen en beschavingsgebieden: algemeen
Trefwoord: Wereldgeschiedenis, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Leerboek der algemeene geschiedenis voor eenigszins gevorderden
Vorige scan Volgende scanScanned page
121)
mannen (Decëmviri) genaamd, tien tafelen met wetten
(451 V. C.). Dewijl het werk hiermede niet was vol-
tooid, werd er voor het volgende jaar weder eene com-
missie benoemd, waarin ook enkele plebejers zitting
kregen, en die, door nog twee tafelen met wetten bij
de vorige te voegen, de wetten der twaalf tafelen vol-
tooide. Deze wetgeving hield de vooiTechten der pa-
triciërs in stand, maar van nu af konden de plebejers
een geregelden aanval beginnen tegen de ongelyke ver-
deeling van rechten en plichten. Weldra diende de
volkstribuun Canulëjus een ontwerp van wet in, ter
verkrijging van de opheffing van het huwelijksverbod
en de toelating tot het consulaat. Het eerste werd in
445 V. C. ingewilligd; maar wat het tweede betrof,
wisten de patriciërs een middelweg te doen inslaan,
door den senaat voorloopig op te dragen, ieder jaar te
beslissen of men twee consuls uit de patriciërs of in
hunne plaats drie of meer krijgstrihunen met consulaire
macht, die aan geen stand gebonden waren, zou kiezen.
Tegelykertijd droegen de pati-iciërs een aanzienlijk ge-
deelte van de consulaire macht aan nieuw aan te stellen
patricische ambtenaren, de censoren, op. Dezen moesten
zorgen voor de behoorlijke indeeling der burgers in
centuriën en klassen, hetgeen om de vyf jaar geschiedde,
sloten de contracten met de pachters der belastingen
(tienden, domeinen, havengelden, mijnen, zoutketen en
visscherijen) en waren bovendien zedenrechters, in welke
betrekking zij aan geene wetten, maar alleen aan de
uitspraak van hun geweten gebonden waren, en de
bevoegdheid hadden, senatoren uit den senaat te weren
en burgers van hunne burgerrechten vervallen te ver-
klaren. Men houde liierby in het oog, dat de groote
macht, die de Romeinsche overheidspersonen hadden,
werd opgewogen door den korten tijd van hun bewind.
Na het einde daarvan werden zij weder ambteloos, en