Boekgegevens
Titel: Leerboek der algemeene geschiedenis voor eenigszins gevorderden
Auteur: Kollewijn, A.M.
Uitgave: Amersfoort: A.M. Slothouwer, 1886
5e dr
Opmerking: I: De Oudheid. II: Middeleeuwen en Nieuwe Tijd
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 5487
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201029
Onderwerp: Geschiedenis: algemene wereldgeschiedenis; geschiedenis van grote gebiedsdelen, bevolkingsgroepen en beschavingsgebieden: algemeen
Trefwoord: Wereldgeschiedenis, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Leerboek der algemeene geschiedenis voor eenigszins gevorderden
Vorige scan Volgende scanScanned page
121)
land zoozeer, dat te Atliene een standbeeld voor een
goochelaar werd ojigericht naast dat van Aiscliulos, en
het tooneel, waarop de stukken van Sophökles en Eu-
ripïdes vertoond waren, aan den bestuurder van een
marionettenspel werd afgestaan. Toch bleef er vooreerst
de beoefening der wijsbegeerte bloeien. Omstreeks 300
V. C. verkondigden er Epikouros en Zenon hunne wijs-
geerige stelsels. De eerste leerde, dat de mensch moet
streven naar een duurzaam zinnelijk en geestelijk genot;
de tweede, wiens leer de Stoïcijnsche wordt genoemd,
omdat hij in eene sfoa (galerij) onderricht gaf, stélt
's menschen schuldgevoel, dat bij vroegere wijsgeeren
niet in aanmerking kwam, op den voorgrond. Plet
ideaal, dat, volgens hem, de wijze moet nastreven, is
het verkrijgen van een zoo krachtigen wil, dat hij be-
stand is tegen iedere verzoeking, gehard tegen leed,
verheven boven de wisselvalligheden des levens; aldus
wordt hij een waarlijk vrij man, voor wien gezondheid
geen goed, ziekte geen kwaad is, en die alleen de
eigenschappen bezit, een waar vriend te zijn. De Stoï-
cijnen maakten eene scherpe afscheiding tusschen wijzen
en dwazen. Voor den wijze bestaan er geene mindere
graden van zedelijke voortreffelijkheid: wie zonder
noodzakelijkheid eene kip doodt, doet hetzelfde kwaad,
als wie zijn vader vermoordt. V.'ie de hoogste deugd
niet bezit, staat gelijk met een boosdoener.
Het toenemen van het onderling verkeer der volken
oefende ook op de wetenschappen invloed uit. Deden
zich in de landen, waar de Grieksche beschaving was
doorgedrongen, al geene uitstekende geschiedschrijvers,
wijsgeeren of dichters voor, de wis- en natuurkunde
daarentegen, maakten groote vorderingen. Zoo werkten
te Alexandriii: Eukleides (omstreeks 270 v. C.), die de
meetkunst eene groote schrede vooruitbracht, Apollönios
van Perga (omstreeks 240 v. C.), wien men de leer