Boekgegevens
Titel: Leerboek der algemeene geschiedenis voor eenigszins gevorderden
Auteur: Kollewijn, A.M.
Uitgave: Amersfoort: A.M. Slothouwer, 1886
5e dr
Opmerking: I: De Oudheid. II: Middeleeuwen en Nieuwe Tijd
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 5487
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201029
Onderwerp: Geschiedenis: algemene wereldgeschiedenis; geschiedenis van grote gebiedsdelen, bevolkingsgroepen en beschavingsgebieden: algemeen
Trefwoord: Wereldgeschiedenis, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Leerboek der algemeene geschiedenis voor eenigszins gevorderden
Vorige scan Volgende scanScanned page
121)
door fabrieken te bezitten, waarin slaven, somtijds bij
uitvoerige verdeeling van arbeid, werkten, zoo vond
men het toch ongepast voor een vrij man handenwerk
te verrichten, „In goed ingerichte staten", zegt Aristo-
teles, „verleent inen den handwerkslieden geene bur-
gerrechten." Platon had echter reeds opgemerkt: „Al
wat slechts kleinhandel, zeehandel en logementhoTiderij
is, strekt tot schande, maar indien eenige der beste
mannen gedwongen werden gasten voor geld te herber-
gen, zou men wel tot het inzicht komen, hoe gewenscht
en geriefelijk iedere van die bezigheden is." Om in
Thebe een staatsambt te mogen bekleeden, moest een
burger in geen tien jarim een handwerk uitgeoefend, ot
kleinhandel gedreven hebben.
Reeds hielden Platon en andere lütstekende vernuften
zich bezig met de moeilijke vraagstukken der volks-
huishoudkunde. Platon zeide, dat in den volkomen
staat alles aan allen gemeen moest zijn; dat niet alleen
het bizonder eigendom, maar zelfs het huwelijk en dus
het huiselijk leven moest worden afgeschaft. Ieder mocht
skïchts op dat geluk aanspraak maken, wat hem als lid
van den staat toekwam. II ij wilde de bevolking in drie
standen verdeeld hebben: 1°. de Wijsgeeren, die met de
wetgeving en de regeering belast zouden zijn, 2". de
krijgslieden en 3°. de landbouwers en handwerkslieden.
Alle kinderen moesten door den staat worden opgevoed
en op aanwijzing der wijsgeeren o])genomen worden in
den stand, voor welken zij de meeste geschiktheid had-
den. Aristoteles zette uiteen, dat het maatschappelijk
samenleven der menschen zoowel voortvloeit uit de be-
hoefte aan veiligheid en Indp, als uit de behoefte aan
gezelligen omgang. Uit behoefte leidt hij ook den ruil-
handel af, en als plaatsvervanger van hetgeen men
noodig heeft, beschouwt hij het geld. Het nemen van
interest voor geleend kapitaal acht hij evenwel eene