Boekgegevens
Titel: Leerboek der algemeene geschiedenis voor eenigszins gevorderden
Auteur: Kollewijn, A.M.
Uitgave: Amersfoort: A.M. Slothouwer, 1886
5e dr
Opmerking: I: De Oudheid. II: Middeleeuwen en Nieuwe Tijd
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 5487
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201029
Onderwerp: Geschiedenis: algemene wereldgeschiedenis; geschiedenis van grote gebiedsdelen, bevolkingsgroepen en beschavingsgebieden: algemeen
Trefwoord: Wereldgeschiedenis, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Leerboek der algemeene geschiedenis voor eenigszins gevorderden
Vorige scan Volgende scanScanned page
121)
met den hoogen prijs der handsclu-iften. Tegen ruim
4000 Gld., en dan nog met groote moeite, gelukte het
Platon een afschrift te verkregen van het werk van een
geleerde uit Beneden-Italië.
Onovertroffen zyn de Grieken op het gebied der
beeldende kunsten. Meesterlyk wisten zy de na-
tum- op te vatten, en de werken, die van hen tot ons
zijn gekomen, blyven steeds, vooral wat de proportiën
betreft, modellen. Te Olumpia alleen vond men 8000,
in geheel Griekenland misschien wel 20,000 standbeel-
den. De ware kunstenaar werd niet alleen rijkelijk
beloond, hij stond ook in hooge gunst by het gansche
volk. De kunst was bij de Grieken geene zaak van
bloote uitspanning; zij was hun eene behoefte.
Het eerst werd de bouwkunst ontwikkeld bij de
Doriërs, daarna bij de Joniërs in Klein-Azië, eindelyk
het voortreffelijkst bij de Atheners. Vergelijkt men de
vroeger genoemde kuklopemnuren en poorten met de
latere bewonderenswaardige scheppingen der Grieksche
bouwkunst, dan staat men verbaasd over de ontwik-
keling, die zij verkreeg, te meer, daar de Grieken zulke
groote technische moeilijkheden te overwinnen hadden.
Want daar zij geene gewelven wisten te maken, moesten
zij steeds op kleine afstanden dragers of steunmuren
aanbrengen, waarop de dekplaten rustten. Die nood-
zakelijke steenen dragers werden echter langzamerhand
veredeld tot pilaren: eerst tot de eenvoudige, stevige
Dorische, daarna tot de slanke, kunstryke Jonische,
eindelijk tot de prachtige Korinthische.
Grooten prijs stelden de Grieken ook op de toon-
kunst, die zij, nevens de dichtkunst, als een uitmun-
tend middel ter beschaving achtten. Als uitvinder van
het overoude blaasinstrument de fluit wordt de Phrygiër
Olumpos genoemd. Terpandros van Lesbos (650 v. C.),
die op vele muzikale wedstryden de overwimiing be-