Boekgegevens
Titel: Leerboek der algemeene geschiedenis voor eenigszins gevorderden
Auteur: Kollewijn, A.M.
Uitgave: Amersfoort: A.M. Slothouwer, 1886
5e dr
Opmerking: I: De Oudheid. II: Middeleeuwen en Nieuwe Tijd
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 5487
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201029
Onderwerp: Geschiedenis: algemene wereldgeschiedenis; geschiedenis van grote gebiedsdelen, bevolkingsgroepen en beschavingsgebieden: algemeen
Trefwoord: Wereldgeschiedenis, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Leerboek der algemeene geschiedenis voor eenigszins gevorderden
Vorige scan Volgende scanScanned page
121)
dat hij den aftocht uitstelde, en dientengevolge door
den vijand achterhaald, en na een bloedig gevecht ge-
dwongen werd zich met zijne troepen over te geven.
Het onheil, dat op den donder zou volgen, zocht men
door een plengoffer van wijn af te wenden; evenzoo de
verderfelijke werking van den bliksem, door sissen en
fluiten. By elk leger hield men wichelaars of waarzeg-
gers voor onontbeerlijk. Zij moesten uit verschynselen,
die zich by het offeren voordeden, den wil der goden
opmaken. Waren de voorteekens ongunstig, dan ging
men niet tot den aanval over, al was volgens bereke-
ning der krijgskundigen de kans nog zoo schoon. Zag
men gedurende den veldtocht een haas, dan werd dit
als het voorteeken eener nederlaag beschouwd. Zoo ook
vreesde men voor het niezen en het ontmoeten van
een zwarten hond in huis, of eene teefmet hare jongen
buiten. Het loopen van eene wezel over den weg was
v(jldoende om eene volksvergadering te verdagen. Bij
het opstaan moest men zich aan de rechterzijde begin-
nen aan te kleeden.
Ofschoon het geloof aan de goden en de voorteeke-
nen by de meest ontwikkelden op den duur sterk ver-
flauwde, bleef, gelijk Platon zegt, de groote hoop het
getrouw nakomen van den eeredienst als eene soort
ruilhandel beschouwen tusschen goden en menschen.
Dientengevolge moest menigeen, die werd aangeklaagd
den goden van den staat de hun toekomende eer niet
te bewijzen, eene zware straf ondergaan. Protagöras
(450 V. C.), die er openlijk voor uitkwam, dat hy niet
kon weten of de goden al of niet bestaan, werd uit
Athene verbannen, terwijl zijne geschriften werden ver-
brand; zijn tijdgenoot Prodïkos, die leerde, dat de
menschen natuurverschijnselen vergood hadden, en aldus
aan die menigte goden waren gekomen, werd om het
leven gebracht.