Boekgegevens
Titel: Leerboek der algemeene geschiedenis voor eenigszins gevorderden
Auteur: Kollewijn, A.M.
Uitgave: Amersfoort: A.M. Slothouwer, 1886
5e dr
Opmerking: I: De Oudheid. II: Middeleeuwen en Nieuwe Tijd
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 5487
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201029
Onderwerp: Geschiedenis: algemene wereldgeschiedenis; geschiedenis van grote gebiedsdelen, bevolkingsgroepen en beschavingsgebieden: algemeen
Trefwoord: Wereldgeschiedenis, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Leerboek der algemeene geschiedenis voor eenigszins gevorderden
Vorige scan Volgende scanScanned page
89
Torens den met wijn gevulden beker aan den mond te
zetten, een weinig van zijn inhoud op den grond ge-
stort als erkenning, dat men alles aan de goden te
danken had. Wie echter godsdienstplechtigheden in den
tempel wilde vemchten, moest zich tot den priester
wenden.
II. De vestiging der Republieken.
Toen de volksverhuizing tot staan was gekomen, en
zich eenigszins vaste toestanden hadden gevormd, vol-
deed het koningschap niet langer, en ontstonden er
door geheel Griekenlaiid republieken. De heerschappij
ging echter niet op eens in de handen des volks over,
maar kwam eerst aan den adel, die uit de veroveraars
der landstreken bestond, de landerijen in bezit geno-
men, en de overwonnenen in een toestand van onder-
geschiktheid gebracht had. Aanvankelijk waren de
edelen van geboorte tevens de welgestelden, de meest
beschaafden, en daarom ook tot de meeste opofferingen
voor het algemeen welzijn in staat en bereid. Zij alleen
konden deelnemen aan het behandelen der staatszaken
en hadden het recht te vorderen, dat de staat in hun
onderhoud voorzag, indien zij het niet uit eigen mid-
delen konden. Hun tijd brachten zij door met lichaams-
oefeningen en het bijwonen van bizondere en openbare
vergaderingen ter bespreking van staatsaangelegenhe-
den, terwijl zij de akkers, van welker opbrengst zij
moesten leven, door de slaven, wier aantal dat der
vrijen overtrofj lieten bebouwen. Maar dit veranderde,
toen zich door den handel, gedeeltelijk uit vreemdelin-
gen, die zich in den staat waren komen vestigen en wier
nakomelingen langzamerhand het burgerrecht hadden
verkregen, een welvarende middelstand verhief. Het
was toen niet langer voldoende van adellijke afkomst