Boekgegevens
Titel: Leerboek der algemeene geschiedenis voor eenigszins gevorderden
Auteur: Kollewijn, A.M.
Uitgave: Amersfoort: A.M. Slothouwer, 1886
5e dr
Opmerking: I: De Oudheid. II: Middeleeuwen en Nieuwe Tijd
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 5487
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201029
Onderwerp: Geschiedenis: algemene wereldgeschiedenis; geschiedenis van grote gebiedsdelen, bevolkingsgroepen en beschavingsgebieden: algemeen
Trefwoord: Wereldgeschiedenis, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Leerboek der algemeene geschiedenis voor eenigszins gevorderden
Vorige scan Volgende scanScanned page
84
zich tig getuigen te nemen om, als 't noodig was, zijn
recht te kunnen bewijzen.
Het vaderlijk gezag was bijna onbeperkt, en niets
werd meer gevreesd dan de vloek van eenbeleedigden
vader. De leden van een geslacht waren ten nauwste
verbonden en tot bloedwraak verplicht.
De vrouwen, die in dien tijd, wegens de geringe vor-
deringen, die de beschaving had gemaakt, in verstands-
ontwikkeling op gelijke hoogte stonden met de mannen,
bezaten toen meer vrijheid dan bij de latere Grieken
der Oudheid. Al werd de vrouw in den regel door den
man, die haar tot echtgenoote begeerde, van haar vader
gekocht, toch werd zij in 't huisgezin geëerd, en oefende
zij er grooten invloed uit. Bezat zij broeders, dan erfden
dezen het vaderlijk goed en kreeg zij een uitzet; anders
was zij erfdochter.
Vreemdelingen genoten eene voorbeeldige gastvrijheid.
De gastheer vraagde niet naar den naam van zijn gast,
eer deze vertrok, uit vi-ees dat hij een vijand in hem
zou vinden en dan wellicht genoodzaakt zijn, de wetten
der gastvrijheid te schenden. Kwam een vreemdeling
als smeekeling, dan werd er nog grooter zorg voor hem
gedragen, al moest men daardoor de vijandschap van
een machtigen nabum- op zich laden, want, meende men,
Zeus straft onherroepelijk dengenen, die den smeekeling
van zich stoot.
De zeden en gewoonten van het heldentijdperk waren
zeer eenvoudig. Zelfs koningen oefenden, als het noodig
was, een handwerk uit of hielden zich bezig met ploe-
gen en maaien. Koningen, edelen en welgestelde vrijen
gebruikten dezelfde spijzen: rund-, schapen- en geiten-
vleesch, kaas, meelspijzen (het graan werd in hand-
molens gemalen), vruchten en als groenten: erwten,
boonen en uien. Het eten van visch werd aan geringe-
ren OA-ergelaten. De wijn werd in groote aarden kruiken