Boekgegevens
Titel: Leerboek der algemeene geschiedenis voor eenigszins gevorderden
Auteur: Kollewijn, A.M.
Uitgave: Amersfoort: A.M. Slothouwer, 1886
5e dr
Opmerking: I: De Oudheid. II: Middeleeuwen en Nieuwe Tijd
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 5487
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201029
Onderwerp: Geschiedenis: algemene wereldgeschiedenis; geschiedenis van grote gebiedsdelen, bevolkingsgroepen en beschavingsgebieden: algemeen
Trefwoord: Wereldgeschiedenis, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Leerboek der algemeene geschiedenis voor eenigszins gevorderden
Vorige scan Volgende scanScanned page
82
Afrika te Cyi-ene en te Barka, terwyl zij later in Egypte
te Naulïratis werden toegelaten.
In de vroegste tyden waren de Grieken zoo ruw, dat
zij niet eens elkanders eigendom eerbiedigdep. Hoe
vrucbtbaarder eene landstreek was, des te meer bad zij
te lijden van invallen van wilde horden. Men zaaide
slechts, wat spoedig geoogst kon worden, handel en
verkeer bestonden niet; macht was recht, en overal
wemelden land en zee van roovers en moordenaars.
Hoe de Grieken te werk gingen, kan liieruit blijken,
dat, toen eene afdeeling Joniërs Milête veroverden, zij
alle mannelyke bewoners doodden, en met de vrouwen
en slaven der vermoorden een nieuwen staat stichtten.
Maar toen de Grieken door hunne scheepvaart voort-
durend in aanraking kwamen met meer beschaafde
volken, leidde hun gelukkige aanleg ertoe, veel goeds
en nuttigs van hen over te nemen, inzonderheid van
de Pheniciërs. Bovendien bleven zij vreemd, of ont-
wenden zij spoedig aan vele verkeerdheden, die den
Oosterschen volken aankleefden, zooals het offeren en
verminken van menschen, de veelwyvery en het slaafsch
gehoorzamen aan voi'sten en priesters.
Wel waren de Grieken door geen stoffelijken band
vereenigd, maar toch gevoelden zij zich door het ge-
meenschappelijke in taal, godsdienst, offers, feesten en
gymnastische oefeningen tot elkander aangetrokken.
In het heldentijdperk werden de Grieken door ko-
ningen geregeerd, die door geene wetten gebonden, en
slechts verantwoordelijk waren aan Zeus, den opperste
der Goden. Van dezen, geloofde men, hadden de voor-
ouders der vorsten hunne heerschappij gekregen, die
zy als een goddelijk erfdeel aan hunne zonen nalieten.
De koning was opperbevelhebber in den oorlog, ver-
richtte voor het gansche volk de godsdienstplechtighe-
den, bestaande in offers en gebeden, en had de hoogste