Boekgegevens
Titel: Beknopte geschiedenis der Nederlandsche bezittingen
Auteur: Kollewijn, A.M.
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1876
2e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 5389
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201007
Onderwerp: Geschiedenis: algemene wereldgeschiedenis; geschiedenis van grote gebiedsdelen, bevolkingsgroepen en beschavingsgebieden: algemeen
Trefwoord: Nederlandse koloniën, Geschiedenis (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Beknopte geschiedenis der Nederlandsche bezittingen
Vorige scan Volgende scanScanned page
60
de inrichting van koffie- en katoenplantages veel minder
kostbaar was dan die voor suikerriet, namen sedert de sui-
kerplantages in aantal af. Toen echter later de koffie minder
voordeel afwierp, werd suiker weder het hoofdproduct van
Suriname.
13. Daar de benoeming van een gouverneur door de Sta-
ten-Generaal bekrachtigd moest worden, gebeurde het niet
zelden, dat na zijn overlijden gedurende geruimen tijd een
tusschenbestuur, door de hoogste colleges der kolonie geko-
zen, de leiding der zaken in handen had. Dit had sedert
1734 bijna voortdurend plaats gehad tot aan de komst van
den gouverneur Mauricius (1742—1751). Twee Raden van
Politie waren met of zonder gouverneur a. i. met het be-
stuur beiast geweest. Zij hadden vele daden van willekeur
gepleegd en slechts hun eigen belang beoogd. Hierdoor was
naijver en verdeeldheid onder de kolonisten ontstaan, waar-
van de slaven partij trokken tegen hunne meesters, die hen
tot straf de gruwelijkste mishandelingen deden ondergaan.
Ofschoon er de doodstraf op gesteld was, liepen toch vele
slaven weg, en de Marons hielden niet op plantages te plunde-
ren en blanken en slaven, die zich niet bij hen wilden aanslui-
ten, te vermoorden. Mauricius riep vrijwilligers op om de
Boschnegers te gaan bestrijden. Veel kolonisten gaven aan
die roepstem gehoor. Men hield op bevel van het bestuur
een bededag, trok uit, versloeg de Marons, verbrandde
hunne dorpen, en liet de krijgsgevangenen radbraken, met
een ijzeren haak door 't lichaam gestoken aan de galg op-
hangen, of op andere onmenschelijke wijzen doodmartelen.
14. Dit bracht slechts voor korten tijd rust aan. Onder
den gouverneur Grommelin (1757—1768) brak er ten ge-
volge van onredelijke behandeling een geduchte slavenop-
stand uit aan de Boven-Gommewijne. Het bestrijden der
negers, wien de meening, dat het sterven door de hand
eens blanken hen in een zinnelijk paradijs met blanken tot
slaven zou doen overgaan, den dood deed verachten, ver-