Boekgegevens
Titel: Beknopte geschiedenis der Nederlandsche bezittingen
Auteur: Kollewijn, A.M.
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1876
2e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 5389
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201007
Onderwerp: Geschiedenis: algemene wereldgeschiedenis; geschiedenis van grote gebiedsdelen, bevolkingsgroepen en beschavingsgebieden: algemeen
Trefwoord: Nederlandse koloniën, Geschiedenis (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Beknopte geschiedenis der Nederlandsche bezittingen
Vorige scan Volgende scanScanned page
59
spijzen en dranken. Slaven en slavinnen waren altijd bij de
hand om hem op zijn wenken te bedienen: zij moesten hem
zelfs aan- en uitkleeden.
De eenige uitspanning, die hij enkele malen aan zijne sla-
ven toestond, was eene hartstochtelijk door hen geliefkoosde
dans- of baljaar-partij, waarbij zij op dram, eene soort
van rum, onthaald werden.
10. Tegen het einde van den Spaanschen successie-oorlog
voer weder eene Fransche vloot de Suriname op (1712) en
noodzaakte de kolonisten, die een dapperen, maar vruchte-
loozen tegenstand hadden geboden, tot het betalen eener
brandschatting van f 700,000. In de meening zich er daar-
door aan te kunnen onttrekken, hadden vele planters hunne
slaven in de bosschen verscholen; maar nadat de Franschen
met hun buit vertrokken waren, keerde slechts een klein
gedeelte der slaven terug: de meesten hadden zich inmiddels
bij de Marons aangesloten.
11. Ofschoon de Societeit het uitsluitend recht bezat sla-
ven in te voeren, wisten de planters ze ook door sluikhan-
del te verkrijgen. De betaling geschiedde met suiker, en
hiervan was dan dikwijls niet genoeg voorhanden, wanneer
de belastingen door de Societeit werden ingevorderd. Dit
bracht er zeer veel toe bij, dat de uitkeeringen aan de
aandeelhouders in Nederland laag bleven. In 1740 bedroegen
zij 2'/, pet. en stonden de aandeelen 40 pet. Om hierin
verbetering aan te brengen, werd onder den gouverneur De
Cheusses (1728—1734) aan de Nederlanders vrije invoer van
slaven toegestaan; de Societeit was echter verplicht jaarlijks
2500 negerslaven in te voeren.
12. Onder het bestuur van De Cheusses, die al zijne
krachten inspande om den landbouw te doen bloeien, wer-
den de eerste katoen- en cacao-plantages aangelegd. De
cacao was in 1685 door De Chatillon, den zoon van Som-
melsdijck, bij het vervolgen van weggeloopen soldaten, in
de binnenlanden ontdekt en naar Paramaribo gebracht. Daar