Boekgegevens
Titel: Beknopte geschiedenis der Nederlandsche bezittingen
Auteur: Kollewijn, A.M.
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1876
2e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 5389
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201007
Onderwerp: Geschiedenis: algemene wereldgeschiedenis; geschiedenis van grote gebiedsdelen, bevolkingsgroepen en beschavingsgebieden: algemeen
Trefwoord: Nederlandse koloniën, Geschiedenis (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Beknopte geschiedenis der Nederlandsche bezittingen
Vorige scan Volgende scanScanned page
58
200 suikerplantages, waarvan sommige eene waarde hadden
van ƒ30.000. De indigo-teelt, waarmede men in 1708 be-
gon, slaagde niet en werd in 1719 geheel verdrongen door
de koffie, waarvan in het midden der achttiende eeuw eene
hoeveelheid van 9 millioen pond werd uitgevoerd.
De meeste planters woonden met hunne gezinnen te Pa-
ramaribo, en. leidden daar een zeer weelderig leven. Van
tijd tot tijd bezochten zij in eene door slaven geroeide tent-
boot de plantages, waarvan het bestuur aan de opzichters
werd overgelaten. De planter, die op zijne plantage woonde,
verliet met zonsopgang (zes uur) zijne hangmat en begaf
zich naar de overdekte voorplaats van zijn huis, waar zijne
koffie en pijp hem wachtten. Daar verscheen dan zijn op-
zichter voor hem, die hem verslag gaf van het werk, dat
den vorigen dag was verricht, van het aantal negers, dat weg
geloopen, gestorven, ziek geworden of hersteld, gekocht
of geboren was , en eindelijk de namen opgaf der slaven, die
hun werk niet of onvoldoende verricht, of zich ziek gehouden
hadden. De aangeklaagden waren inmiddels door den bastiaan
(negerdrijver) voor het huis gebracht, en werden zonder
verhoor, zonder een woord tot hunne verdediging te mogen
zeggen, aan een paal gebonden en gegeeseld, terwijl zij on-
der die pijnlijke strafoefening nog verscheidene malen moesten
uitroepen: »Dank u, meester!" Oogenblikkelijk daarna moes-
ten zij aan hun werk. Vervolgens kwam de dresneger (de
neger, die met de verzorging der zieken was belast) zijne
eerbiedige opwachting maken, en deze kreeg gewoonlijk een
zuur gezicht of nog erger, indien hij verklaarde, dat eenige
slaven werkelijk ziek waren. Ten slotte verscheen eene oude
negerin met de slavenkinderen der plantage, die aan hare
zorgen waren toevertrouwd, en als de planter dezen in oogen-
schouw had genomen, was het omstreeks acht uur gewor-
den. Den overigen tijd van den langen dag bracht hij door
met in eene boot bezoeken af te leggen, over de plantage
te .rijden, of te rusten en zich te verkwikken aan de fijnste