Boekgegevens
Titel: Beknopte geschiedenis der Nederlandsche bezittingen
Auteur: Kollewijn, A.M.
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1876
2e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 5389
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201007
Onderwerp: Geschiedenis: algemene wereldgeschiedenis; geschiedenis van grote gebiedsdelen, bevolkingsgroepen en beschavingsgebieden: algemeen
Trefwoord: Nederlandse koloniën, Geschiedenis (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Beknopte geschiedenis der Nederlandsche bezittingen
Vorige scan Volgende scanScanned page
56
Johan Picardt, predikant te Koevorden, leeraarde in 1660
aangaande de negers, die hij als afstammehngen van Cham
beschouwde: »Deze menschen zijn alzoo genaturaliseerd, zoo
»wanneer zij in vrijheid gesteld of lieftallig gekoesterd wor-
»den, zoo willen zij niet deugen en weten zich zelf niet te
»gouverneeren; maar bij aldien men gedurig met rottingen
»in hunne lenden woont, en dat men dezelve telkens zonder
»genade bastonneert, zoo heeft men goede diensten van hen
»te verwachten, alzoo dat hunne welvaart bestaat in slavernij."
7. Paramaribo, dat bij de komst van Sommelsdijck uit
een dertigtal verstrooid liggende huizen bestond, met pina
(palmloof) gedekt, door palissaden omgeven, en voor het
meerendeel kroegen, waar sluikhandelaars bijeenkwamen,
groeide onder zijn bestuur aan tot een aanzienlijk vlek,
prijkende met breede straten en flinke doch meestal houten
gebouwen. Ook werd onder zijn bestuur eene weeskamer
opgericht.
Om het garnizoen te versterken wist Sommelsdijck de
Staten-Generaal ertoe te bewegen, veroordeelde misdadigers
naar de kolonie te zenden, om als soldaat dienst te doen.
Hij onderhield eene strenge tucht en liet het krijgsvolk
medewerken aan het vellen van bosschen en het graven van
grachten. Toen hij daarna, door gebrek aan levensmidde-
len, die gedeeltelijk uit Nederland werden toegezonden, zich
genoodzaakt zag de rantsoenen te verminderen, bracht dit
zulk eene verbittering teweeg onder de door ontevredene
kolonisten opgestookte soldaten, dat zij hem vermoordden.
De Raad riep dadelijk de planters te wapen en slaagde erin
het krijgsvolk te bedwingen. Aan de kerkelijke en andere
twisten onder de kolonisten, kwam echter zoo spoedig geen
einde.