Boekgegevens
Titel: Beknopte geschiedenis der Nederlandsche bezittingen
Auteur: Kollewijn, A.M.
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1876
2e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 5389
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201007
Onderwerp: Geschiedenis: algemene wereldgeschiedenis; geschiedenis van grote gebiedsdelen, bevolkingsgroepen en beschavingsgebieden: algemeen
Trefwoord: Nederlandse koloniën, Geschiedenis (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Beknopte geschiedenis der Nederlandsche bezittingen
Vorige scan Volgende scanScanned page
55
rassen droog gemaakt en de aanplanting van suikerriet uit-
gebreid.
Voor de handhaving der orde stelde Sommelsdijck een
Raad van Politie en Crimineele Justitie in, samengesteld
uit ingezetenen, door stemgerechtigde burgers gekozen.
Den planters werd de verplichting opgelegd nauwkeurige
staten in te dienen van alle personen, vrijen of slaven, die
zich op de plantages bevonden, en ieder tiental slaven onder
het toezicht van een blanke of een vrije, te stellen. De on-
menschelijke behandeling, die de slaven van sommige plan-
ters en nog meer van vele opzichters moesten ondergaan,
was oorzaak, dat steeds meer slaven en slavinnen de plan-
tages ontvluchtten en eene schuilplaats gingen zoeken in de
dichte bosschen (Boschnegers, Marons). Op plaatsen, die
door bosschen en moerassen behoorlijk gedekt waren, ver-
eenigden zij zich dan, en stichtten zij dorpen van soms
tweehonderd hutten en huizen, waaronder er zich van twee
verdiepingen bevonden. De velden in de nabijheid der dor-
pen leverden rijst, cassava of manioc, yams, pisangs enz.
op, terwijl de negers visch en door kunstige vallen wild in
genoegzame hoeveelheid wisten te vangen, om er een ge-
deelte van in de pekel te kunnen bewaren. Zout bereidden
zij uit de asch van den palmboom; boter uit den palmboom-
worm of de pinda-noot (pistache). Aldus zouden zij rustig
eene betrekkelijke welvaart hebben kunnen genieten, waren
zij er niet steeds op bedacht geweest, onder de aanvoering
van stoutmoedige aanvoerders wraak te nemen op de plan-
ters en de opzichters, die hen of hunne betrekkingen de
gruwelijkste mishandelingen hadden doen ondergaan, en
zelfs op de slaven, die hunnen meester oprechte trouw be-
toonden. Om het wegloopen der slaven tegen te gaan,
loofde Sommelsdijck premiën uit voor hunne vangst. Ook
beval hij, hun een brandmerk op den arm te geven, zoowel
om te weten, waar zij thuis behoorden, indien zij gevangen
werden, als om het ter sluik invoeren van slaven tegen te gaan.