Boekgegevens
Titel: Beknopte geschiedenis der Nederlandsche bezittingen
Auteur: Kollewijn, A.M.
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1876
2e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 5389
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201007
Onderwerp: Geschiedenis: algemene wereldgeschiedenis; geschiedenis van grote gebiedsdelen, bevolkingsgroepen en beschavingsgebieden: algemeen
Trefwoord: Nederlandse koloniën, Geschiedenis (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Beknopte geschiedenis der Nederlandsche bezittingen
Vorige scan Volgende scanScanned page
53
het overige gedeelte van dat eiland door de Franschen in
bezit genomen.
Ten gevolge van de vijandelijkheden door de Franschen
tegen hen gepleegd, zagen de Nederlanders en de Israëlie-
ten, die in Cayenne gevestigd waren, zich genoodzaakt de
wijk te nemen; met vergunning der Engelschen vestigden
zich de eersten aan de Commewijne, de laatsten aan de
Suriname.
4. Tijdens den tweeden oorlog met Engeland, maakten
de Engelschen zich gereed de Nederlanders te verdrijven,
toen de Zeeuwsche kapitein Abraham Crijnsen met drie
schepen de Suriname opvoer (1667). Hij vermeesterde het
Engelsche fort, waaraan hij den naam Zeelandia gaf, nam
de bezetting krijgsgevangen, verklaarde de goederen ver-
beurd van allen, die den eed van getrouwheid aan de Sta-
ten weigerden, en hief van de planters eene brandschatting
van 100,000 pond suiker. Bij zijn vertrek benoemde hij De
Rama (1667—1668) tot gouverneur van Suriname en wendde
toen den steven naar St. Eustatius, dat hij met behulp van
eenige Fransche schepen aan de Engelschen, die het ver-
overd hadden, ontrukte.
Nadat Suriname aan Nederland was overgegaan, vermin-
derde de aanvankelijke bloei dier kolonie, daar vele Engel-
sche planters zich op Jamaica gingen vestigen.
h. monopolie in negerslaven. het bestuur van som-
melsdijck. de boschnegers.
5. De provincie Zeeland, die met het eigendomsrecht ook
het opperbevel over Suriname had, droeg dit laatste in 1672
aan de Staten-Generaal over. Het recht van eigendom ver-
kocht zij, wegens het geringe voordeel, dat deze kolonie
opleverde, voor ƒ 260.000 aan de in 1675 nieuw opgerichte
West-Indische Compagnie. Deze verkreeg van de Algemeene