Boekgegevens
Titel: Beknopte geschiedenis der Nederlandsche bezittingen
Auteur: Kollewijn, A.M.
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1876
2e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 5389
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201007
Onderwerp: Geschiedenis: algemene wereldgeschiedenis; geschiedenis van grote gebiedsdelen, bevolkingsgroepen en beschavingsgebieden: algemeen
Trefwoord: Nederlandse koloniën, Geschiedenis (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Beknopte geschiedenis der Nederlandsche bezittingen
Vorige scan Volgende scanScanned page
52
schreeuw en het schudden van eene witte met steentjes ge-
vulde kalebas.
Wie huwen wilde, begaf zich naar den vader van het
meisje zijner keuze en sprak er met hem over. Het meisje
zette hem daarna eten voor, en als hij daarvan at, was het
huwelijk gesloten, en nam hij zijne vrouw mede naar huis.
Wilde een vader zijne dochter uithuwelijken, dan noodigde
hij den jonkman, dien hij tot schoonzoon begeerde, in zijne
hut en herhaalden zich de beschreven handelingen. Nam
een Indiaan meer dan ééne vrouw, hetgeen zelden gebeurde,
dan woonde iedere vrouw met hare kinderen in eene afzon-
derlijke hut, en verdeelde hij de opbrengst zijner jacht en
vischvangst onder zijne vrouwen naar evenredigheid harer
kinderen.
2. Eenige Nederlanders, die zich in Cayenne gevestigd
hadden, drongen in 1634 tot de rivier de Suriname door
en troffen daar de Engelschen aan, die ondertusschen tabak
waren gaan planten. Zes jaren later kwam ook de Fran-
sche kapitein Poucet De Bretigny met 65 man uit Cayenne
en maakte zich van Suriname meester.
De aanvallen der Indianen, gevoegd bij een klimaat, door
uitgestrekte moerassen en ondoordringbare bosschen onge-
zond, deden de Franschen weldra deze vestiging verlaten.
De Engelschen behielden er nu de overhand en zagen het
aantal kolonisten van 1644 af vermeerderen door Portugeesche
Joden, die uit Brazilië en Nederland kwamen. Sedert be-
gonnen zij meer en meer slaven bij den landbouw te ge-
bruiken, en legden zij suikerplantages aan.
3. Curaçao, dat in 1527 door de Spanjaarden was bezet,
werd in 1634 door de Nederlanders veroverd en bij den
Westfaalschen vrede aan hen afgestaan. St. Eustatius en
Saba geraakten in 1639 in 't bezit van Zeeuwsche kooplie-
den, en terwijl zich in 1641 in het zuidelijk gedeelte van
St. Martin eene Nederlandsche volkplanting vestigde, werd