Boekgegevens
Titel: Beknopte geschiedenis der Nederlandsche bezittingen
Auteur: Kollewijn, A.M.
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1876
2e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 5389
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201007
Onderwerp: Geschiedenis: algemene wereldgeschiedenis; geschiedenis van grote gebiedsdelen, bevolkingsgroepen en beschavingsgebieden: algemeen
Trefwoord: Nederlandse koloniën, Geschiedenis (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Beknopte geschiedenis der Nederlandsche bezittingen
Vorige scan Volgende scanScanned page
47
De welvaart van Java trachtte men te bevorderen door het
houden van veemarkten, van eene tentoonstelling van voorwer-
pen van landbouw en nijveiheid (te Batavia 1865) en van een
landbouw-congres (te Soerakarta 1873); het intrekken van de
pacht der visscherijen; het uitvaardigen van een reglement
op het boschwezen; het afschaffen van de straf van rotting-
slagen; het aanleggen van telegrafen en spoorwegen alsmede
door de afschaffing van het ambtelijk landbezit der inland-
sche hoofden en ambtenaren met uitzondering der dessa-
hoofden en de beperking van de diensten die de inlandsche
bevolking aan de hoofden moet bewijzen.
67. Na de onderwerping van Boni konden leger en ma-
rine door kleine expedities en het vervolgon van zeeroovers
rust en orde in den O. I. Archipel bewaren; maar in 1873
werd van beide eene buitengewone krachtsinspanning ge-
vorderd door het uitbreken van een oorlog met Atjeh.
Bij het tractaat met Engeland in 1824 had het Neder-
landsch gouvernement op zich genomen, zijne betrekkingen
met Atjeh zoodanig te regelen, dat deze staat, zonder zijne
onafhankelijkheid te verliezen, den zeevaarder en handelaar
bestendige veiligheid zou aanbieden. Het bleek echter on-
mogelijk door vriendschappelijke vertoogen de Atjehneezen
van zeeroof en het uitoefenen van strandrecht te doen af-
zien. Toen echter in 1871 een tractaat met Engeland was
tot stand gekomen, waarbij dit rijk verklaarde zich niet
meer te zullen verzetten tegen de uitbreiding van het Ne-
derlandsch gezag op eenig deel van Sumatra, konden wij
met meer kracht optreden om de veiligheid der zeeën langs
de kusten van Atjeh te handhaven. Nadat door den in 1871
opgetreden gouv. gen. Loudon nog vruchteloos pogingen
waren aangewend om dit doel langs minnelijken weg te be-
reiken, werd in 't begin van 1873 aan Atjeh de oorlog ver-
klaard. Onmiddellijk daarop werd er eene krijgsmacht van
4000 man heengezonden, die echter na het sneuvelen van
den opperbevelhebber onverrichter zake terugkeerde. De