Boekgegevens
Titel: Beknopte geschiedenis der Nederlandsche bezittingen
Auteur: Kollewijn, A.M.
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1876
2e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 5389
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201007
Onderwerp: Geschiedenis: algemene wereldgeschiedenis; geschiedenis van grote gebiedsdelen, bevolkingsgroepen en beschavingsgebieden: algemeen
Trefwoord: Nederlandse koloniën, Geschiedenis (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Beknopte geschiedenis der Nederlandsche bezittingen
Vorige scan Volgende scanScanned page
41
leed schade en de fabrikanten werden rijk. Sedert 1841
werd daarom een andere weg ingeslagen. De Regeering nam
nu twee derden van de beste suikers, die de fabriek leverde,
tegen vastgestelde prijzen over, en liet het overige ter be-
schikking van den fabrikant. Deze had nu persoonlijk be-
lang bij de kwaliteit van zijn fabrikaat, en sedert nam de
suikercultuur zulk eene hooge vlucht, dat de schatkist ér
wel bij voer, en het gouvernement na 1847 geene rente-
looze voorschotten meer gat.
59. De inlanders deelden vooreerst nog niet in de voor-
deelen. Terwijl de koffie bijna uitsluitend op de bergen
wordt geplant, en de koffiepluk op geregelde tijden kan
plaats hebben, moet het suikerriet op de lage gronden
worden aangekweekt, die gedeeltelijk aan de dessa's behoo-
ren, en wanneer het rijp is, moet men terstond met alle
macht aan het snijden om te voorkomen, dat het uitdroogt
of dat het sap begint te gisten. En voor dien arbeid, die
de inlanders zoo onvoorziens van hun eigen werk afriep,
kregen zij eerst na eenige maanden eene geringe geldelijke
vergoeding, afhankelijk van de hoeveelheid verkregen suiker.
Het jaar 1863 bracht voor de suikercultuur weder ver-
anderingen aan. Toen werd bepaald, dat de inlanders een
hooger plantloon zouden genieten, dat niet meer dan een
vijfde der dessagronden voor suikerriet mocht worden ge-
bruikt, en dat de fabrikanten niet meer een evenredig deel
der productie maar een fixum aan 't gouvernement moesten
leveren.
Reeds waren vele fabrikanten er toe overgegaan vrije
arbeiders te gebruiken, toen bij de nieuwe regeling der sui-
kercultuur in 1870 werd vastgesteld, dat tot het verkrijgen
van arbeiders en verdere hulpmiddelen, zoo voor het snijden
en vervoeren van riet, voor werkzaamheden in en bij de
fabriek als anderszins de tusschenkomst des bestuurs aan de
ondernemers niet verleend zou worden, buiten volstrekte,
telkens te bewijzen onmisbaarheid, en dat de verplichte