Boekgegevens
Titel: Beknopte geschiedenis der Nederlandsche bezittingen
Auteur: Kollewijn, A.M.
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1876
2e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 5389
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201007
Onderwerp: Geschiedenis: algemene wereldgeschiedenis; geschiedenis van grote gebiedsdelen, bevolkingsgroepen en beschavingsgebieden: algemeen
Trefwoord: Nederlandse koloniën, Geschiedenis (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Beknopte geschiedenis der Nederlandsche bezittingen
Vorige scan Volgende scanScanned page
27
de ambtenaren voort zich op minder geoorloofde wijze schat-
ten te verzamelen. Van 1725 tot 1737 was het gouverneur-
generaalschap achtereenvolgens toevertrouwd aan vier per-
sonen, waarvan de eerste twee beschuldigd werden de bui-
tenposten te verwaarloozen en den Chineezen geld af te per-
sen, terwijl de beide anderen bij hun dood, die tevens een
einde aan hun bestuur maakte, groote rijkdommen nalieten.
41. De Chineezen hadden steeds een aanzienlijk gedeelte
der bevolking uitgemaakt van de aan de Compagnie onder-
hoorige landen. Zij waren pachters van tollen (sabande-
rijen) en belastingen, en eigenaars of huurders van de
meeste suikermolens bij Batavia, in Bantam en in Cheri-
bon, waar zij van de inlandsche hoofden landen konden
huren tot het planten van riet, welke arbeid aan de bevol-
king tegen een onbeduidend loon in heerendienst werd op-
gelegd. Hiervoor moesten zij eene bepaalde hoeveelheid sui-
ker tegen vaste prijzen aan de Compagnie leveren. Voortdu-
rend hadden zij aan allerlei knevelarijen van den kant der
ambtenaren bloot gestaan. Dit werden zij eindelijk moede,
en onder het bestuur van den gouv. gen. Valckenier (1787—
1741) stonden zij op. Zij deden eenige vruchtelooze aanval-
len op de stad Batavia, waarbinnen zich ruim 12,000 Chi-
neezen bevonden, die zich wel rustig hielden, maar spoedig
zoozeer in verdenking kwamen, den opstand te steunen, dat
de verbitterde Nederlanders hen bijna allen ombrachten en
hunne woningen verbrandden. Nadat de opstandelingen nog
eenige malen waren geslagen, werd eene amnestie uitgevaar-
digd voor eiken Chinees, die zich binnen eene maand onder-
wierp. Velen gaven zich nu over; doch zij mochten zich
niet meer binnen de stad Batavia vestigen. Het grootste
gevaar geweken achtende, hield men een boete-, dank- en
bededag. Valckenier legde spoedig hierop zijne betrekking
neder en was met eene overwinst van vijf millioen op de
terugreis naar 't vaderland, toen hij bij de Kaap op bevel
der Kamer van Zeventienen, wegens willekeurige handelin-